Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 10

Weigerings- en intrekkingsgronden

Onderdeel van Kaderverordening Subsidies Delft 2008

1.. De subsidieverlening kan naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 van de in de Algemene wet bestuursrecht genoemde gevallen in ieder geval worden geweigerd indien gegronde redenen bestaan aan te nemen dat: de activiteiten van de aanvrager niet gericht zijn op de gemeente dan wel niet aanwijsbaar ten goede komen aan de burgers van de gemeente; de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor het doel waarvoor subsidie is aangevraagd; de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde; de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende gelden – hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden – kan beschikken om de kosten van de activiteiten te financieren; subsidieverstrekking anderszins niet past binnen het beleid van de gemeente; er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet in deze verordening mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met een aanvrager van subsidie gelijk kan worden gesteld. 2.. Naast de in artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde gevallen kan de subsidieverlening ook worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd op grond van de in het eerste lid onder a tot en met f genoemde gevallen. 3.. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onderdeel f, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het college om een advies als bedoeld in artikel 9 van de Wet Bibob worden gevraagd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel