Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 20

Vaststelling gemeente bijdrage voor kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie

Onderdeel van TESTVERORDENING 1

1.. Het college stelt op aanvraag van de ouder vast of hij of zijn partner een persoon is: met een lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperking en in welke mate om die reden, kinderopvang noodzakelijk is, of die een kind heeft waarvoor en in welke mate kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van dat kind noodzakelijk is. 2.. Alvorens te besluiten, wint het college ten behoeve van de vaststelling van de noodzakelijkheid van kinderopvang als bedoeld in het eerste lid een sociaal medisch advies in bij een door het college aangewezen onafhankelijke arts (sociaal medisch adviseur) als bedoeld in artikel 22 . 3.. Van het opvragen van sociaal medisch advies als bedoeld in het voorgaande lid wordt afgezien, indien naar het oordeel van het college op basis van schriftelijke gegevens van een onafhankelijke deskundige als bedoeld in artikel 22 in voldoende mate is aangetoond dat sprake is van ernstige sociaal-medische problematiek die kinderopvang noodzakelijk maakt. 4.. Indien er sprake is van een voorliggende voorziening, en dit ingevolge artikel 9, tweede lid zou leiden tot weigering van de gemeente bijdrage ziet het college af van de vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie. 5.. Het college kan periodiek herindicatie verrichten van personen als bedoeld in het eerste lid. De herindicatie vindt plaats overeenkomstig het tweede of derde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel