Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Zittingsduur en vacatures

Onderdeel van Verordening op de raadscommissies 2008

1.. De zittingsperiode van een lid en de (plaatsvervangend) voorzitter eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van de raad. 2.. Een lid, zijnde een niet-raadslid, houdt op lid te zijn van een commissie indien: hij zijn ontslag als lid van de commissie schriftelijk kenbaar maakt aan de raad de raad hem ontslag verleent als lid van de commissie hij door zijn fractie wordt teruggetrokken als commissielid/niet-raadslid een commissie ophoudt te bestaan indien hij niet meer voldoet aan de in artikel 4, lid 5 gestelde eisen hij overlijdt 3.. De raad kan de voorzitter of zijn plaatsvervanger ontslaan. 4.. De (plaatsvervangend) voorzitter of een raadslid kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke mededeling aan de raad.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel