Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Samenstelling, benoeming en beëindiging van het lidmaatschap

Onderdeel van Reglement Delftse Adviescommissie Voorrangsbepaling

1.. De commissie bestaat uit 3 stemgerechtigde vaste leden. Voor elk vast lid wordt tevens een plaatsvervangend lid benoemd. 2.. Alle leden van de commissie worden benoemd door het college en wel op de hierna volgende wijze: één lid en één plaatsvervangend lid namens en op voordracht van het COW; één lid en één plaatsvervangend lid namens en op voordracht van de gemeente; één, op voordracht van de gemeente en de corporaties te benoemen, onafhankelijke voorzitter. 3.. Het (plaatsvervangend) lid als bedoeld in lid 2 onder a. is op het moment van aanstelling werkzaam bij een Delftse corporatie. 4.. Het lidmaatschap van de commissie is onverenigbaar met de functie van intakemedewerker, belast met het voeren van voorrangsgesprekken en het opstellen van de rapportages die worden voorgelegd aan de DAV. 5.. Het lid namens de gemeente fungeert als plaatsvervangend voorzitter. 6.. De voorzitter en (plaatsvervangende) leden van de commissie worden benoemd voor een periode van minimaal 1 jaar en maximaal twee jaar, en kunnen worden herbenoemd. 7.. Het lidmaatschap van de commissie eindigt door: schriftelijke opzegging aan het college, met een opzegtermijn van twee maanden voorafgaande aan de beëindiging; overlijden; het verstrijken van de in lid 6 bedoelde periode; het verlies van de functie of de kwaliteit uit hoofde waarvan het lidmaatschap van de commissie bestaat; ontslag door het college. 8.. Het college kan besluiten een (plaatsvervangend) lid van de commissie voor het aflopen van de benoemingstermijn als bedoeld in lid 6 van dit artikel ontslag te verlenen als het betreffende (plaatsvervangende) lid niet naar behoren functioneert. Voordat het besluit genomen wordt, worden zowel het betreffende (plaatsvervangende) lid als de voorzitter in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven op het voornemen tot het verlenen van ontslag. 9.. In de vervanging van tussentijds aftredende en ontslagen (plaatsvervangende) leden wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee maanden nadat zij is gemeld voorzien. 10.. De aftredende leden blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien, met uitzondering van de gevallen zoals bedoeld in lid 7 sub e.

Rechtspraak bij dit artikel