1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene
die het motorvoertuig heeft geparkeerd.
2. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede
aangemerkt:
a. degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft
gegeven de belasting te willen voldoen;
b. zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel
a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande
dat:
1e indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane
huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het
parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet
de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft
geparkeerd;
2e indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten
staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig
heeft geparkeerd.
3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van
degene die op voet van het tweede lid, onderdeel b als degene die het
voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt
dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig
heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft
kunnen voorkomen.
4. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene
die de vergunning heeft aangevraagd.
Artikel 3
Belastingplicht
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2017