Gelet op de financiële omstandigheden moet de boete binnen een redelijke termijn worden voldaan. Anders zou een betrokkene zeer langdurig moeten leven op het absolute minimum. Een maximale termijn van 2 jaar is daarbij het uitgangspunt. Bij de bepaling van deze termijn moet rekening worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid. De hoogte van de boete moet zodanig worden begrensd dat de boete in het geval van:
opzet: binnen 24 maanden kan worden voldaan;
grove schuld: binnen 18 maanden kan worden voldaan;
geen opzet en geen grove schuld: binnen 12 maanden kan worden voldaan;
verminderde verwijtbaarheid: binnen 6 maanden kan worden voldaan.
Hierbij wordt ervan uitgegaan dat het volledige bedrag van het inkomen boven de beslagvrije voet van 90%, volledig beschikbaar is of wordt aangewend voor het betalen van de boete.
Hoofdstuk 4:
Artikel 3.2
Artikel 3.2
Onderdeel van Beleidsregels Handhaving en Boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017