De belasting bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verschuldigd bij
de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het
parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door
het via een telefoon inloggen op de centrale computer.
De belasting bedoeld in artikel 1, onderdeel b, is verschuldigd op
het tijdstip waarop de vergunning en/of ontheffing wordt verleend.
Indien de belastingplicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, in
de loop van het jaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor
zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde
belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht,
nog volle kalendermaanden overblijven.
Indien de belastingplicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, in
de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op
ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
verschuldigde belasting als er in dat jaar, na einde van de
belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. Deze
ontheffing vindt alleen plaats indien deze ten minste € 25,00
bedraagt.
Artikel 4
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2017