Naar hoofdinhoud
Justitieel beleidskader Het Openbaar Ministerie is belast met de handhaving van de verbodsbepalingen in de Opiumwet. Naar aanleiding van de beleidsvoornemens in de landelijke Drugsnota zijn “De Richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet” op 10 september 1996 vastgesteld. Deze richtlijnen zijn op 1 oktober 1996 in werking getreden. In 2000 en 2013 zijn de AHOJG-criteria aangescherpt. In de richtlijnen wordt onder meer expliciet aangegeven dat het beleid voor coffeeshops, binnen de kaders van de richtlijnen, wordt bepaald in het lokale driehoeksoverleg. Het begrip “coffeeshops” wordt in de richtlijnen gedefinieerd als “alcoholvrije horecagelegenheden waar handel in en gebruik van softdrugs plaatsvindt”. Bevoegdheden van de burgemeester De burgemeester is het bevoegd gezag in het kader van het lokale coffeeshopbeleid. In algemene zin geldt dat de burgemeester verantwoordelijk is voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Op basis van artikel 174 Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht opopenbare inrichtingen en met de uitvoering van verordeningen die betrekking hebben op dattoezicht. Coffeeshops zijn “voor het publiek openstaande gebouwen” als bedoeld in artikel 174Gemeentewet. De burgemeester beschikt sinds 2007 op grond van artikel 13b van de Opiumwet over een bestuursrechtelijk handhavingsinstrument, namelijk het opleggen van een last onder bestuursdwang ten aanzien van een woning of lokaal dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven, indien daar een middel als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. De systematische handel in cannabis en harddrugs buiten coffeeshops om (bijvoorbeeld vanuit woningen of andere lokalen) kan sindsdien beter worden aangepakt, ook als er geen sprake is van overlast. Voor de wijziging van 2007 kon alleen tegen ‘voor publiek toegankelijke lokalen’ worden opgetreden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Voor niet ‘publiek toegankelijke lokalen’ (zoals woningen) kon worden opgetreden op grond van artikel 174a van de Gemeentewet. In de praktijk bleek het vaak moeilijk om verstoring van de openbare orde, met name overlast, aan te tonen waardoor artikel 174a van de Gemeentewet veelal te kort schoot. Bestuursdwang kan nu worden ingezet tegen alle illegale verkooppunten wegens overtreding van de Opiumwet. Verstoring van de openbare orde hoeft niet meer aangetoond te worden. Taken van de gemeenteraad Voor de gemeenteraad is geen taak weggelegd bij de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet. Dit is uitsluitend een bevoegdheid van de burgemeester. De gemeenteraad kan wel een rol spelen door het coffeeshopbeleid te agenderen en door bijvoorbeeld op andere beleidsterreinen (gezondheidsbeleid, jeugdbeleid) na te gaan welke ondersteunende maatregelen (preventie, nazorg) ontwikkeld kunnen worden. Daarnaast heeft de gemeenteraad ten aanzien van het coffeeshopbeleid van de burgemeester een controlerende taak. Rol van het college van burgemeester en wethouders Omdat coffeeshops alcoholvrije horeca-inrichtingen zijn is geen drank- en horecavergunning nodig. In de sfeer van de handhaving van het coffeeshopbeleid kan de burgemeester wel optreden tegen alcoholschenkende horeca-inrichtingen die cannabisproducten verkopen, bijvoorbeeld door de vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet in te trekken. Het college kan invloed uitoefenen op de verstrekking van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en de wenselijkheid betreffende ontheffingen van het bestemmingsplan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel