Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodiek en termijnen. Binnen de gemeente geldt het criterium dat de afschrijvingsmethodiek en termijn van een actief economisch nut moeten afstemmen op de verwachte economische levensduur. Immers indien dit wordt nagelaten is er geen betrouwbaar beeld van de jaarrekening. De richtlijnen zijn als volgt geformuleerd:
geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief, het saldo van agio en disagio en kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht;
materiële vaste activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd;
voor het afschrijven van materiele vaste activa worden de methodieken en termijnen gehanteerd zoals vermeld in de bijlage. Er wordt geen langere afschrijvingsduur vastgesteld dan de technische, economische en/of functionele levensduur van dat object rechtvaardigt. Er wordt een kortere afschrijvingsduur toegepast bij aanpassingen in al bestaande materiele vaste activa. De afschrijvingsduur is nooit langer dan de afschrijvingsduur bij de eerste investering;
de afschrijvingsmethodiek op materiële en immateriële activa is lineair. Alleen op de volgende materiele vaste activa kan annuïtair worden afgeschreven.
Activa waarvan de kapitaallasten worden gedekt door huuropbrengsten e.d.;
Activa waarvan de kapitaallasten zijn verwerkt in een tarief;
Activa waarvan de kapitaallasten worden gedekt door rechten en heffingen.
afschrijving vindt niet eerder plaats dan nadat het desbetreffende actief in gebruik is genomen. Als het actief in het eerste halfjaar in exploitatie is genomen, wordt er afgeschreven met ingang van dat desbetreffende jaar. Ligt die datum in het tweede halfjaar, dan wordt afgeschreven met ingang van het daarop volgende jaar.
Hoofdstuk 3
Artikel 9.
Waardering en afschrijving vaste activa
Onderdeel van Financiële verordening gemeente Borsele 2017