Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Berekening van het kadegeld

Onderdeel van Verordening haven- en kadegeld 2017

1.. Grondslag voor de berekening van het kadegeld is het aantal tonnen geloste af geladen goederen in combinatie met het aantal strekkende meters loswal, dan wel het aantal vierkante meters oppervlakte verhard of onverhard haventerrein, hetwelk voor het laden of lossen, respectievelijk voor het doen verblijven van goederen, materialen of voorwerpen in beslag wordt genomen. 2.. De in beslag genomen lengte van de loswal wordt gemeten evenwijdig aan de voorzijde van de kademuur. 3.. De oppervlakte van in beslag genomen verhard of onverhard haventerrein wordt bepaald door het product van de maximale lengte, gemeten evenwijdig aan de voorzijde van de kademuur en de maximale breedte, gemeten loodrecht op de voorzijde van de kademuur. Meting vindt plaats op de verharding, c.q. op het maaiveld na verticale projectie op de verharding, c.q. op het maaiveld van de in horizontale zin verst uitstekende punten van de op het terrein verblijvende goederen, materialen of voorwerpen. 4.. Voor los- en laadkranen geldt als in beslag genomen lengte de grootste in elke stand van de kraan in beslag genomen lengte, evenwijdig aan de voorzijde van de kademuur gemeten, zulks exclusief de giek. 5.. Voor los- en laadkranen geldt als in beslag genomen lengte en de grootste in elke stand van de kraan in beslag genomen lengte en de grootste in elke stand van de kraan in beslag genomen breedte gemeten evenwijdig aan, respectievelijk loodrecht op de voorzijde van de kademuur, een en ander exclusief de giek. 6.. Voor het hebben van een vaste los- en laadplaats de omzet uitgedrukt in tonnen geloste of geladen goederen in combinatie met een vastrecht voor elke strekkende meter waarvoor vergunning is verleend. 7.. Voor het vaste gebruik van verhard of onverhard haventerrein, het aantal vierkante meters, waarvoor vergunning is verleend.

Rechtspraak bij dit artikel