De melder zal niet worden benadeeld in verband met het te goeder
trouw en naar behoren melden van een vermoeden van een misstand
of onregelmatigheid bij de gemeente, een andere organisatie, een
externe instantie of, onder de omstandigheden als bedoeld in
artikel 20 lid 4, een externe derde.
Onder benadeling als bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval
verstaan het nemen van een benadelende maatregel, zoals:
het verlenen van ontslag, anders dan op eigen verzoek;
het tussentijds beëindigen of het niet verlengen van een
tijdelijk dienstverband;
het niet omzetten van een tijdelijk dienstverband in een
vast dienstverband;
het treffen van een disciplinaire maatregel;
het opleggen van een onderzoeks-, spreek-, werkplek-
en/of contactverbod aan de melder of collega’s van de
melder,
de opgelegde benoeming in een andere functie;
het uitbreiden of beperken van de taken van de melder,
anders dan op eigen verzoek;
het verplaatsen of overplaatsen van de melder, anders
dan op eigen verzoek;
het weigeren van een verzoek tot het verplaatsen of
overplaatsen van de melder;
het wijzigen van de werkplek of het weigeren van een
verzoek daartoe;
het onthouden van salarisverhoging, incidentele
beloning, bonus, of toekenning van vergoedingen;
het onthouden van promotiekansen;
het niet accepteren van een ziekmelding, of het de
werknemer/ambtenaar als ziek geregistreerd laten.
het afwijzen van een verlofaanvraag;
het verlenen van verlof, anders dan op eigen
verzoek.
Van benadeling als bedoeld in lid 1 is ook sprake als een
redelijke grond aanwezig is om de melder aan te spreken op zijn
functioneren of een benadelende maatregel als bedoeld in lid 2
jegens hem te nemen, maar de maatregel die de werkgever neemt
niet in redelijke verhouding tot staat tot die grond.
Indien de werkgever jegens de melder binnen afzienbare tijd na
het doen van een melding overgaat tot het nemen van een
benadelende maatregel als bedoeld in lid 2, motiveert hij waarom
hij deze maatregel nodig acht en dat deze maatregel geen verband
houdt met het te goeder trouw en naar behoren melden van een
vermoeden van een misstand of onregelmatigheid.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat leidinggevenden en
collega’s van de melder zich onthouden van iedere vorm van
benadeling in verband met het te goeder trouw en naar behoren
melden van een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid,
die het professioneel of persoonlijk functioneren van de melder
belemmert. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
het pesten, negeren en uitsluiten van de melder;
het maken van ongefundeerde of buitenproportionele
verwijten ten aanzien van het functioneren van de
melder;
het feitelijk opleggen van een onderzoeks-, spreek-,
werkplek- en/of contactverbod aan de melder of collega’s
van de melder, op welke wijze dan ook geformuleerd;
het intimideren van de melder door te dreigen met
bepaalde maatregelen of gedragingen als hij zijn melding
doorzet.
De ambtenaar heeft recht op juridische bijstand wanneer hij als
gevolg van het te goede trouw en naar behoren melden van een
vermoeden van een misstand en/of onregelmatigheid en/of
onregelmatigheid nadelige gevolgen ondervindt in zijn
rechtspositie, tijdens en/of na het volgen van deze regeling.
Deze juridische bijstand wordt gefinancierd door de gemeente
Almere.
De leidinggevende spreekt ambtenaren die zich schuldig maken aan
benadeling van de melder daarop aan en kan hen een waarschuwing
of een disciplinaire maatregel opleggen.
Hoofdstuk 1.
Artikel 6
Bescherming van de melder tegen benadeling
Onderdeel van Regeling melding vermoeden misstand en/of onregelmatigheid Almere 2016