1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
moet de in artikel 7 en artikel 13,
onder 1, bedoelde belasting worden betaald in twee gelijke termijnen
waarvan de eerste vervalt op
de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening
van het aanslagbiljet is
vermeld en de tweede twee maanden later.
2.In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaal bedrag van
de op één aanslagbiljet
verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat,
het bedrag daarvan minder
is dan € 2.500,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van
automatische
betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten
worden betaald in
zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het
aanslagbiljet nog maanden in
het belastingjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met
dien verstande dat het
aantal termijnen ten minste drie en ten hoogste tien bedraagt. De
eerste termijn vervalt op de
laatste dag van de maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk
van de volgende
termijnen telkens een maand later.
3.In afwijking van het tweede lid van dit artikel moeten aanslagen, die
voldoen aan de daar
genoemde criteria, die worden opgelegd ná het belastingjaar waarop zij
betrekking hebben,
worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op
de laatste dag van de maand
volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
vermeld en de volgende
termijnen telkens een maand later.
4.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
leden
gestelde termijnen.
5.Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c,
van de
Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde
beschikking inzake een
bestuurlijke boete is het in het eerste lid bepaalde van
overeenkomstige toepassing.