De dagelijkse rusttijd bedraagt ten minste 11 uur in een aaneengesloten tijdsruimte van 24 uur, welke rusttijd één maal per periode van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren. De in de vorige volzin bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de medewerker arbeid verricht.