Naar hoofdinhoud
1.. Het is verboden de weg, een weggedeelte of andere openbare plaats anders te gebruiken, in de vorm van het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg, dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Hiervan is in ieder geval sprake als: het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.. Het bevoegd gezag kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen die gelden voor de plaatsing van voorwerpen op of aan de weg (zie bijlage, “Nadere regels plaatsencontainers, steigers, uitstallingen op of aan de weg”). 3.. Het is verboden om te handelen in strijd met de nadere regels zoals bedoeld in het tweede lid. 4.. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5.. Het bevoegde bestuursorgaan kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6.. Het verbod in het eerste lid geldt niet in het geval van: evenementen als bedoeld in artikel 2:10; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:13; terrassen als bedoeld in artikel 2:12; steigers, containers en uitstallingen, als bedoeld in de nadere regels plaatsen containers, steigers en uitstallingen op of aan de weg (zie bijlage); reclame als bedoeld in de nadere regels reclame, onverminderd artikel 4:14; situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; 7.. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel