De Commissie BBV beveelt aan om in de financiële verordening, of in een nadere uitwerking daarvan,op te nemen dat voor het activeren van investeringen aan ten minste één van de hierna opgenomencriteria moet worden voldaan:
een minimumbedrag;
een minimale gebruiksduur
Om praktische redenen (veel werk i.r.t. bedrag/gebruiksduur) achten we in de volgende gevallen
activeren niet wenselijk:
ingeval van investeringen met een gebruiksduur van drie jaar of minder; en/of
bij investeringen met een verkrijgings-of vervaardigingsprijs van ≤ € 10.000
Deze kosten brengen we in de periode van aankoop ten laste van de exploitatie.
Uitgangspunt 1:
Investeringen met een gebruiksduur van drie jaar of minder en/of en verkrijgings- ofvervaardigingsprijs van € 10.000 of minder, activeren we niet maar brengen we ten laste van deexploitatie.
Of we een actief als vast of vlottend moeten aanmerken, wordt bepaald door de bestuurlijke intentiedie bestaat ten aanzien van het desbetreffende actief. Als de intentie is om het actief duurzaam te
exploiteren c.q. te gebruiken, dan is het een vast actief. Dit uitgangspunt ligt vast in artikel 31 BBV.
Grondexploitaties maken deel uit van de voorraden en behoren niet tot de vaste activa.
Investeringen verantwoorden we op de balans onder de post vaste activa. Onder deze postonderscheiden we conform het BBV (artikel 33) de volgende vaste activa:
immateriële vaste activa;
materiële vaste activa;
financiële vaste activa.
We lichten dit toe in de paragrafen 2.2 t/m 2.4.
Hoofdstuk 1.
Artikel 2.1
Algemeen
Onderdeel van Nota waarderen en afschrijven 2017 Eijsden-Margraten