Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 31

Geheimhouding

Onderdeel van Verordening op de raadscommissies

1.. De commissie kan in een besloten vergadering, op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de commissie worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt door allen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de commissie haar opheft. 2.. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de voorzitter van de commissie, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de commissie overleggen of ten aanzien van mededelingen die zij aan de commissie doen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, haar opheft. 3.. Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt daarover, indien de raadscommissie die geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, in een besloten vergadering met de raadscommissie overleg gevoerd. 4.. Raads- en commissieleden die niet in de betreffende commissievergadering aanwezig waren, kunnen de besluitenlijst inzien bij de (commissie)griffier. Van deze inzage houdt de griffier een register bij. Voor raads- en commissieleden die van deze inzage gebruik maken geldt ook de plicht tot geheimhouding conform lid 1.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel