Naar hoofdinhoud
1.. Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel. 2.. Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 3.. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op totaal van: het door Oasen tot jaarverbruik herleide aantal kubieke meters leidingwater, dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd; en het aantal kubieke meters grondwater dat in aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar naar het perceel is opgepompt. 4.. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt grondwater kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt grondwater geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5.. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd. 6.. Indien wegens het ontbreken van een watermeter geen gegevens omtrent waterverbruik kunnen worden vastgesteld, wordt de hoeveelheid afgevoerd water door middel van schatting vastgesteld, met een minimum van 45 kubieke meters water per persoon per jaar.

Rechtspraak bij dit artikel