**a .** Het is verboden om in een archeologisch monument of in een archeologisch waardevol gebied dan wel een gebied met een hoge, middelhoge of lage archeologische verwachting, bedoeld in artikel 1, onder q, r en s, de bodem te verstoren;
**b .** Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien:
in een archeologisch waardevol gebied, aangeduid op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart met legenda-eenheid 2 of 9, de verstoring niet dieper reikt dan 30 cm;
in een archeologisch waardevol gebied, aangeduid op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart met legenda-eenheid 3, de verstoring niet dieper reikt dan 30 centimeter en het te verstoren oppervlak kleiner is dan 10 m²;
in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde, aangeduid op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart met legenda-eenheid 4, 5 of 7 de verstoring niet dieper reikt dan 30 centimeter en het te verstoren gebied kleiner is dan 30 m²;
in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde, aangeduid op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart met legenda-eenheid 6 of 8, de verstoring niet dieper reikt dan 100 cm en het te verstoren oppervlak kleiner is dan 1000 m²;
in het geldende bestemmingsplan voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg en aan de maatregelen die genomen dienen te worden het erfgoed ‘in situ’ te bewaren, voldaan is;
sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;
het bevoegd gezag nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument, een archeologisch waardevol gebied of een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische beleidskaart, of
een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of b.de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of c.in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
HOOFDSTUK 4
Artikel 19
Instandhoudingbepaling
Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Leidschendam-Voorburg