In deze afdeling wordt verstaan onder:
boom:
houtachtige beplanting, met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 40 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. Dit geldt voor beplanting zowel levend als afgestorven. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.
houtopstand:
één of meer bomen, met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 40 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. Dit kan een solitaire boom zijn, maar ook onderdeel uitmaken van een houtwal, lintbegroeiing of bosplantsoen.
vellen:
rooien, kappen, verplanten of het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel. Ook kandelaberen is een vorm van vellen. Het vellen betreft alle handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand als gevolg kunnen hebben.
dunning:
velling van een gedeelte van een houtopstand bestaande uit meerdere bomen, uitsluitend als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand. Daarbij geldt dat de kroonsluiting van de houtopstand inclusief alle kleinere bomen, tot maximaal 60 % wordt teruggebracht. De kroonsluiting is de verticale projectie van de boomkronen.
boomwaarde:
de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen.
Bomen Effect Analyse:
een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.
bevoegd gezag:
bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Wabo:
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
omgevingsvergunning:
als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.