Artikel 6 Wijze van heffingDe belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de
aanslagen worden betaald in één termijn die vervalt op de laatste dag van de maand
volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één
aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag
bevat, het bedrag daarvan meer is dan € 100,--, doch minder is dan € 2.000,-- dat
de aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke maandelijkse termijnen. De
eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en de
laatste termijn twee maanden later.
3.In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één
aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het biljet maar één aanslag bevat, het
bedrag daarvan meer is dan € 100,--, doch minder dan € 2.000,-- en zolang de
verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de
betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de
aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke maandelijkse termijnen. De eerste
termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de
volgende termijnen telkens een maand later.
4.Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de
Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een
Bestuurlijke boete, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
5.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde
termijnen.