Geen belasting wordt geheven van percelen waarvan de op de voet van
hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende
zaak vastgestelde waarde € 30.000,00 of minder bedraagt, een en ander
met uitzondering van die percelen waarvoor bij de waardebepaling met
toepassing van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet
waardering onroerende zaken de waarde buiten aanmerking wordt gelaten.
In afwijking in zoverre van het bepaalde in dit lid betreft deze
vrijstelling niet die percelen die op 1 januari van het belastingjaar in
aanbouw zijn, zoals bedoeld in artikel 17 lid 4 van de Wet waardering
onroerende zaken, terwijl de voor het perceel vast te stellen waarde bij
gereedkomen van het in aanbouw zijnde perceel het bedrag van € 30.000,00
naar verwachting zal overstijgen.