**1..** In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt op verzoek van de belastingplichtige debelasting geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende 20 jaren. Het verzoekgenoemd in de eerste volzin dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslagschriftelijk bij de in artikel 232, vierde lid, onderdeel a, van de Gemeentewet bedoeldegemeenteambtenaar te worden ingediend.
**2..** Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
**3..** De jaarlijkse belasting bedraagt de annuïteit van het totaal verschuldigde, berekend op basis
van een periode van 20 jaren en een rentevoet van 3,75 %.
**4..** De belasting over de nog niet aangevangen belastingjaren kan elk jaar worden afgekocht. Deafkoopsom wordt bepaald op de contante waarde van de op 1 januari van het belastingjaar,waarin de afkoop plaatsvindt, nog te verschijnen belastingbedragen berekend naar eenrentevoet van 3,75 %.
**5..** Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse heffing en debelastingplicht in de loop van het belastingtijdvak als bedoeld in het eerste lid eindigt of wijzigtals gevolg van het overdragen van eigendom, bezit of beperkt recht, wordt de nieuwegenothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met ingang van het eerstvolgendebelastingjaar een aanslag ineens opgelegd voor de resterende belastingjaren van hetbelastingtijdvak, berekend overeenkomstig het vierde lid van dit artikel.
In afwijking van het bepaalde in onderdeel a, wordt op verzoek van de in dat onderdeelbedoelde belastingplichtige de jaarlijkse heffing overeenkomstig het eerste lid gecontinueerd.Het verzoek daartoe dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag ingevolgeonderdeel a, schriftelijk bij de in artikel 232, vierde lid, onderdeel a, van de Gemeentewetbedoelde gemeenteambtenaar te worden ingediend.
**6..** Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse heffing en in de loop van hetbelastingtijdvak de eigendom, het bezit of het beperkt recht van een gedeelte van deonroerende zaak wordt overgedragen, wordt, voor de verdeling van de resterendebelastingschuld, de maatstaf van heffing als bedoeld in artikel 4 voor de betreffendeonroerende zaken opnieuw vastgesteld voor de nog niet verstreken belastingjaren.
Artikel 6