Naar hoofdinhoud
1.. De houder van de Kinderopvangorganisatie bepaalt, aan de hand van door de ouders te verstrekken actuele inkomensgegevens, welke ouders in aanmerking komen voor gemeentelijke subsidie. 2.. De houder van de Kinderopvangorganisatie brengt de gemeentelijke subsidie in mindering op het door ouders van de peuters te betalen uurtarief voor gebruik van een peuterplaats. 3.. De houder van de Kinderopvangorganisatie rapporteert per kwartaal cumulatief per geplaatste peuter de volgende gegevens: naam organisatie waar de kinderopvanglocatie deel van uit maakt naam organisatie kinderopvang lrkp –nummer en adres BSN-nummer peuter en ouder(s) NAW gegevens peuter geboortedatum startdatum van de opvang einddatum, indien relevant. geïndiceerd of niet-geïndiceerd WKO/niet-WKO 4.. De houder van de Kinderopvangorganisatie en gemeente evalueren in mei van het subsidiejaar het verloop van de subsidiëring. De uitkomsten van de evaluatie worden gebruikt in de subsidieafspraken voor het jaar erna. 5.. De houder van de Kinderopvangorganisatie levert in het subsidiejaar vóór 1 mei, vóór 1 augustus, vóór 1 november en vóór 1 februari (jaar erna) een tussentijdse rapportage aan op basis van de in artikel 8 lid 3 genoemde items. In deze tussentijdse rapportage wordt de voortgang van de activiteiten aangegeven, een prognose voor de (doorlopende) activiteiten gemaakt en een inzicht in de besteding van de subsidie gegeven. De rapportages zullen in een mondeling gesprek worden toegelicht. Indien de bescheiden niet op tijd ingediend zijn, dan zal dat consequenties hebben voor de bevoorschotting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel