Naar hoofdinhoud
Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als: er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers; de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel; er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets het collectief vervoer alleen niet in de vervoersbehoefte kan voorzien; de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (rijvaardigheidstest); er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden. Het stallen van de scootmobiel dient op een adequate wijze te geschieden. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan in dit kader als adequaat worden beschouwd. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de scootmobiel, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht. Ook het afdekken van de scootmobiel met een hoes, indien de cliënt, zijn huisgenoten of de mantelzorger daartoe in staat zijn, kan een adequate oplossing zijn mits er een oplaadmogelijkheid voor handen is.

Rechtspraak bij dit artikel