Dit artikel regelt de verplichting tot het innemen van de vergunde standplaats. Bij de wijziging van de marktregelgeving in 2013, is de verplichting dat standplaatshouders persoonlijk hun standplaats moeten innemen komen te vervallen. De gedachte was dat het achterhaald is om van een ondernemer te verwachten dat hij te allen tijde zelf zijn standplaats inneemt. Gelet op het innovatieve karakter van die regeling, is afgesproken deze na twee jaar te evalueren (RIS 180716).
Er is geconstateerd dat het de binding met de markt ten goede komt als de vergunninghouder persoonlijk aanwezig is. Persoonlijke aanwezigheid wordt in het kader van goed ondernemerschap van groot belang geacht. Dit mede om het niet handelen voor eigen rekening en risico en dus de doorverhuur van standplaatsen te voorkomen. Daarom is in het nieuwe reglement gekozen voor de systematiek waarin persoonlijke aanwezigheid van minimaal 50% weer het uitgangspunt is. Voor de overige tijd kunnen op de marktvergunning op aanvraag vervangers worden bijgeschreven.
Vaste vergunninghouders zijn verplicht de standplaats 46 maal per jaar in te (laten) nemen en daarvan in ieder geval de helft van het aantal keren persoonlijk aanwezig te zijn. Vervangers staan namens en voor rekening en risico van de vergunninghouder. In de praktijk komt het er dus op neer dat de vaste vergunninghouder per iedere vergunde marktdag 23 keer per jaar aanwezig dient te zijn. De markt is gericht op laagdrempelig ondernemerschap, waarbij het de gemeente niet onredelijk voorkomt de marktondernemer te verplichten het aantal genoemde dagen per jaar aanwezig te zijn. Hiermee wordt tevens ontmoedigd dat grote bedrijven hun handel via tussenpersonen op grote schaal gaan ‘dumpen’ op marktkramen. Daarbij komt dat in het negende lid van artikel 3:2 is geregeld dat in geval van bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de aanwezigheidsplicht. Hierbij kan worden gedacht aan afwezigheid in verband met aantoonbare ernstige ziekte, ongevallen of andere noodsituaties. In het artikel is geregeld dat bij vergunningverlening lopende het jaar, de aanwezigheidsplicht naar evenredigheid wordt toegepast, waarbij decimalen worden afgerond naar boven. Indien bijvoorbeeld per 1 april vergunning wordt verleend, betekent dit dat er nog 9 maanden van het lopende jaar resteren. Dit betekent dat hij 9/12 * 46 = 34,5 week, dus 35 weken aanwezig is. Wordt de marktvergunning per 1 maart verleend, dan is de vergunninghouder 10/12 *46 = 38, 3, dus 39 weken, aanwezig. Zijn er bijzondere omstandigheden waardoor een vergunninghouder vaker dan gerechtigd zijn standplaats niet kan (laten) innemen, dan kunnen burgemeester en wethouders op grond van het tiende lid van artikel 3:2 afwijken. Het ligt op de weg van de vergunninghouder om tijdig bij burgemeester en wethouders aan te geven (met uitzondering van overmachtssituaties) dat hij vaker dan gerechtigd zijn standplaats niet kan (laten) innemen. Burgemeester en wethouders kunnen dan ook tijdig beslissen of de situatie noopt tot afwijken van artikel 3:2.
De helft van de tijd dat de standplaats in wordt genomen, doet de vergunninghouder dat in ieder geval persoonlijk gedurende de gehele marktdag. Sanitaire stops en lunchpauzes zijn hier uiteraard van uitgezonderd. De andere helft van de tijd dat de standplaats in wordt genomen, kan de vergunninghouder zich laten vervangen door één van zijn ingeschreven vervangers. Uiteraard doen de vervangers voor rekening en risico van de vergunninghouder de verkoop.