Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.1

Vervoersvoorziening

Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning Purmerend 2017

1.. De door het college te verlenen vervoersvoorziening kunnen bestaan uit: een collectief systeem van aanvullend openbaar vervoer; individuele vervoerskostenvergoeding: eigen auto of bruikleenauto (rolstoel) taxikostenvergoeding. een open buitenwagen (scootmobiel); een gesloten buitenwagen; een andere speciaal voor de doelgroep bedoelde vervoersvoorziening; een aanpassing aan een motorvoertuig. 2.. Indien de persoon met beperkingen geen gebruik kan maken van in lid 1 sub a benoemde vervoersvoorziening kan deze in aanmerking komen voor een individuele vervoerskostenvergoeding. Hier geldt een maximumvergoeding à €0,19 per km tot maximaal 2000 km op jaarbasis. Indien er geen sprake is van een eigen auto of bruikleenauto kan de cliënt in aanmerking komen voor een taxikostenvergoeding . Zie voor de maximale vergoedingen bijlage 1 Vergoedingenlijst Pgb’s 2017 3.. Wijze van verstrekken van de vervoersvoorzieningen: De maatwerkvoorziening genoemd in lid 1, onderdeel a, wordt in natura verstrekt. De maatwerkvoorziening genoemd in lid 1, onderdeel b, wordt in Pgb verstrekt. De maatwerkvoorzieningen genoemd in lid 1, onderdelen c, d, e en f worden in natura of in de vorm van een Pgb verstrekt. 4.. Onverminderd het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Verordening wordt de maatwerkvoorziening in natura of het (maximale) Pgb bedrag voor maatwerkvoorzieningen genoemd in lid 1 sub b, c, d, e en f niet vaker dan één keer per 5 jaar verstrekt. 5.. Het Pgb voor de aanpassing aan een motorvoertuig bedraagt maximaal € 2.200,- inclusief onderhoud en reparatie. Dit bedrag wordt niet vaker dan één keer per 5 jaar verstrekt. 6.. Indien de collectieve vervoersvoorziening een adequate voorziening is maar de persoon met beperkingen wenst een aanpassing aan een motorvoertuig als bedoelt in lid 5, dan kan deze alleen worden verstrekt in plaats van het collectief vervoer als deze voor een periode van minimaal 5 jaar adequaat wordt geacht. Gedurende deze 5 jaar bestaat geen recht op gebruik van het aanvullend openbaar vervoer, tenzij de persoon met beperkingen het verstrekte Pgb voor de aanpassing naar rato terugbetaalt aan de gemeente.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel