Lid 1:
Op grond van de ‘Jeugdwet’ is een PGB niet mogelijk indien er sprake is
van één van de volgende jeugdhulp en/of ondersteuningsvormen:
spoedeisende jeugdhulp, er is tenminste sprake van een
spoedeisende casus in geval van risico’s voor de veiligheid als
gevolg van huiselijk geweld. Als de consulent jeugd constateert
dat er sprake is van een spoedeisende casus wordt er een
tijdelijke maatwerkvoorziening in natura beschikt voor de duur
van het onderzoek en de beschikking op de reguliere aanvraag;
de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel en
jeugdreclassering, de uitvoering van jeugdhulp in een gesloten
accommodatie met machtiging;
pleegzorg, voor pleegzorg is in de Jeugdwet opgenomen dat
pleegzorg uitsluitend via de pleegzorgaanbieder loopt. Voor
pleegzorg geldt dat voor de pleegouder een pleegzorgvergoeding
van toepassing is. Dit is een onkostenvergoeding die niet als
inkomen wordt gezien en verschilt daarmee van het PGB. Voor de
zorg die een kind extra nodig heeft kan een (pleegzorg)ouder wel
een PGB ontvangen.
Lid 2:
Het college verstrekt geen PGB:
voor een voorziening in het buitenland.
voor vergoeding op basis van “bouwsteen coördinatie” van inkoop
maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp. Een budgethouder komt in
principe alleen in aanmerking voor een PGB als hij zelf (of een
vertegenwoordiger) op verantwoorde wijze regie kan voeren. Bij
een budgethouder zal daarom coördinatie niet aan de orde zijn,
deze rol vervult de budgethouder immers zelf of is belegd bij de
vertegenwoordiger.
indien er sprake is van zorg en/of ondersteuningsvormen voor een
periode korter dan drie maanden.
voor zorgkosten waarbij vergoeding vanuit een aanvullende
ziektekostenverzekering mogelijk is.
voor niet-directe zorgkosten (binnen het PGB is hiervoor geen
vrij besteedbaar bedrag beschikbaar).