De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken:
als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid;
voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor een de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten;
als blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 11, derde lid niet naleeft.