Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 5.

Omgevingsvergunning Karakteristiek pand

Onderdeel van Erfgoedverordening 2016

1. . Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4, 1e lid wordt uitsluitend verleend indien: sprake is van een algemeen belang waarvoor het karakteristieke gebouw of object moet wijken; of, wordt aangetoond dat zinvol (her)gebruik van het gebouw overeenkomstig de geldende bestemming of een andere, uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, passende bestemming objectief gezien niet mogelijk is en het belang van de vergunningaanvrager bij sloop van het gebouw in redelijkheid dient te prevaleren boven het cultuurhistorisch belang bij behoud ervan. De aanvrager van een omgevingsvergunning dient daartoe een rapport van een onafhankelijke deskundige over te leggen, dat ingaat op: de bouwkundige en technische staat van het gebouw; de mate waarin het gebouw geschikt is of door het treffen van voorzieningen geschikt kan worden gemaakt voor zinvol (her)gebruik overeenkomstig de geldende bestemming of een andere, uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, passende bestemming; of, de karakteristieken van het gebouw of object niet langer aanwezig zijn en alleen met ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kunnen worden hersteld; of, het delen van een gebouw of object betreft die op zichzelf niet als karakteristiek zijn aan te merken en door sloop van deze delen geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt; of het delen van een gebouw of object betreft die wel als karakteristiek zijn aan te merken, maar deze delen worden vervangen door gelijkwaardige karakteristieke delen. 2. . Het overleggen van een deskundigenrapport als bedoeld in het 1e lid onder b is niet nodig, indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders uit andere beschikbare informatie afdoende blijkt dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden. 3. . In het geval dat sloop van volledige gebouwen of objecten op grond van het gestelde in het 1e lid, onder b of c mogelijk is, dient de aanvraag om sloopvergunning tevens te worden voorzien van: een plan voor de herinrichting van de locatie ten behoeve van het behoud van de ruimtelijke kwaliteit dat tot stand is gekomen middels de maatwerkmethode; een planning van de sloop en herinrichting. 4. . Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4, 1e lid wordt uitsluitend verleend als er garantie bestaat op een goede herinvulling binnen redelijke termijn na de sloop van een gebouw, waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt hersteld. In de omgevingsvergunning zal een voorschrift worden opgenomen waarin de termijn waarbinnen de herinvulling gereed moet zijn, wordt vastgelegd. 5. . Indien burgemeester en wethouders het voornemen hebben om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4,1e lid te verlenen, wordt de Erfgoedcommissie om een schriftelijk advies gevraagd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel