De aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het
gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten
gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en
er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte
woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming
is verleend door het college;
deze betrekking heeft op voorzieningen in
gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische
deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;
de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat
op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te
voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn
en er geen sprake is van een onverwacht optredende
noodzaak;
verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden;
verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
instelling gericht op het verstrekken van zorg;
er in de verlaten woonruimte geen problemen met het
normale gebruik van de woning zijn ondervonden;
de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de
woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
gebruikte materialen;
De ondervonden problemen bij het normale gebruik van de
woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
gebruikte materialen.
Hoofdstuk 4.
Artikel 30
Aanvullende begrenzing recht op woonvoorzieningen
Onderdeel van Verordening houdende regels omtrent de Maatschappelijke Ondersteuning