Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 32, onder b.
en c. van deze verordening vermelde voorziening in aanmerking
komen indien:
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in
artikel 32, onder a. van deze verordening, onmogelijk
maken;
een collectief systeem als bedoeld in artikel 32, onder
a. van deze verordening, niet aanwezig is.
HOOFDSTUK 5
Artikel 34
Het primaat van het collectief vervoer
Onderdeel van Verordening houdende regels omtrent de Maatschappelijke Ondersteuning