Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5

Artikel 5.3

Resultaten

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Amersfoort 2017

Zoals gezegd wordt huishoudelijke hulp geïndiceerd in resultaten. Hieronder worden de betreffende resultaten nader toegelicht. Een schoon en leefbaar huis Het te bereiken resultaat bestaat allereerst uit het kunnen wonen in een woning die schoongehouden is. Daarnaast is het van belang dat de woning leefbaar is, dat staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Met het oog op dit resultaat kan een maatwerkvoorziening getroffen worden voor taken die betrekking hebben op het schoonmaken en/of opruimen. Schoon Dit betekent dat men in het algemeen gebruik moet kunnen maken van schone ruimten in verband met het in staat zijn tot het normale gebruik van de woning. In het algemeen is het natuurlijk zo dat deze ruimten met enige regelmaat schoongemaakt moeten worden. Het wil echter niet zeggen dat alle ruimten altijd wekelijks schoongemaakt moeten worden. Bij schoon wordt onderscheid gemaakt hygiënisch schoon en optisch (lees ook representatief) schoon. Hygiënisch schoon kan zijn aangewezen omdat het bevorderlijk is voor de gezondheid. Het resultaat hygiënisch schoon heeft daarom betrekking op de sanitaire ruimten en het keukenblad waar de maaltijden worden bereid. Een optisch schoon resultaat van bijvoorbeeld de rest van de keuken, waaronder de keukenkastjes, wordt verkregen als het oppervlak vrij is van zichtbare vervuiling. Denk verder aan het stofzuigen en/of dweilen van de (overige) ruimten voor het normale gebruik van de woning, bed verschonen, stof afnemen en ramen lappen. Leefbaar Een algemene definitie van leefbaarheid luidt als volgt; ‘geschikt om erin of ermee te kunnen leven’ (Van Dale, 1997). Dat maakt leefbaarheid nog niet geheel objectief. Leefbaarheid in dit kader gaat over de relatie van de cliënt en de woning. In het algemeen gaat leefbaarheid in het kader van deze beleidsregels er van uit dat de woning opgeruimd moet zijn om bijvoorbeeld vallen te voorkomen. En zoals gezegd mag van de cliënt worden verwacht dat hij daar - voor zover mogelijk en in wat redelijk is - zijn medewerking aan verleend. Het beschikken over schone en draagbare, zo nodig opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed, indien (medisch) noodzakelijk gestreken De dagelijkse kleding, beddengoed, handdoeken, e.d. moeten met enige regelmaat schoongemaakt worden. Daaronder valt het aanwezig zijn van gewassen, opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed, indien medisch noodzakelijk gestreken. Bij dat laatste wordt opgemerkt dat van de cliënt ook mag worden verwacht dat hij rekening houdt met het kopen van kleding waarbij strijken niet nodig is. Dit moet overigens ook in relatie worden gezien met de aanschaf van een algemeen gebruikelijke wasdroger. Van de cliënt mag in dit kader worden verwacht dat er bijvoorbeeld extra (twee- of driedubbel) beddengoed aanwezig is. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld voldoende handdoeken, andere linnengoed en/of kleding. Op deze manier kan de inzet van ondersteuning zo efficiënt mogelijk worden gedaan. Het bereiden of klaarzetten en zonodig aanreiken van maaltijden Dit te bereiken resultaat bestaat uit het bereiden van broodmaaltijden en warme maaltijden en koffie of thee zetten. Broodmaaltijd Een broodmaaltijd kan 1 keer dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de jurisprudentie qua frequentie (CRVB:2016:2960, CRVB:2011:BU5492). Warme maaltijden Naast het bereiden van de warme maaltijd kan ook enkel het opwarmen van een maaltijd aan de orde zijn. Een warme maaltijd kan 1 keer dag worden geboden. Dit geldt vanzelfsprekend alleen als er geen andere (voorliggende) oplossingen zijn zoals: de maaltijdservice, mee kunnen eten bij een verzorgingshuis of de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt. Aanreiken Het aanreiken van de maaltijden kan binnen het bereik van de Wmo 2015 vallen. Voor zover de cliënt vanwege lichamelijke beperkingen niet in staat is om zelf te eten, ligt het voor de hand dat daarvoor een indicatie verkregen kan worden op grond van de Zvw. Beschikken over boodschappen voor het dagelijks leven Het kunnen beschikken over boodschappen voor het dagelijks leven valt binnen het bereik van huishoudelijke hulp. Denk in dit geval aan levensmiddelen en schoonmaakmiddelen en dergelijke die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Onder dit resultaat kan ook het opstellen van een boodschappenlijst vallen. Boodschappendienst Gebruikmaking van een boodschappendienst wordt in princiep aangemerkt als algemeen gebruikelijke voorziening. Supermarkten hebben doorgaans een dergelijke service, hetgeen wel uit het onderzoek moet blijken. De cliënt kan zijn boodschappen via de telefoon of de PC bestellen. De aanbieder kan zonodig ondersteuning bieden bij het opstellen van een boodschappenlijst. Of de boodschappendienst een passende oplossing is wordt bepaald door: de feitelijke beschikbaarheid; of de kosten voor de aanvrager financieel draagbaar zijn; en of de boodschappendienst als adequate compensatie kan worden aangemerkt. Het feit dat de cliënt, die gebruik kan maken van de boodschappendienst (of bezorgen van maaltijden), afhankelijk is van bezorgtijden brengt niet mee dat de boodschappendienst om die reden niet als passende oplossing kan worden aangemerkt (CRVB:2011:BU5492). Ad. 1 Het spreekt voor zich dat het college vast moet stellen dat er een boodschappendienst beschikbaar is. De omstandigheid dat de supermarkt waar de cliënt normaal gesproken zijn boodschappen doet of zou willen doen geen boodschappendienst heeft, maakt niet dat een andere boodschappendienst niet als passende oplossing kan gelden. Ad. 2 Het beschikken over boodschappen is structureel noodzakelijk. Dat betekent ook dat het gebruik van de boodschappendienst telkens terugkerende kosten met zich mee kan brengen. Daarover moet het college zich op het standpunt kunnen stellen dat deze kosten door de cliënt financieel gedragen kunnen worden. Daarbij neemt het college in aanmerking dat het doorgaans mogelijk is en als gangbaar wordt beschouwd dat mensen boodschappen geclusterd doen door bijvoorbeeld eens per week of tweewekelijks een voorraad in huis te halen. Voor zover het gaat om de zware boodschappen kan daar in ieder geval van worden uitgegaan. Ook kan het zijn dat de cliënt zelf nog in staat is om met bijvoorbeeld een scootmobiel (dagelijkse) boodschappen te doen. Daarbij kan van de cliënt ook worden verlangd om de hulp van het personeel of een derde in te roepen als hij onverwacht niet bij een boodschap kan omdat deze te laag of te hoog in de schappen ligt. Verder mag van de cliënt in voorkomende gevallen ook worden verwacht dat met een daarop gerichte training wordt geleerd om met een scootmobiel op een veilige manier winkels binnen te gaan en boodschappen te doen. Ad. 3 Het is vanzelfsprekend dat het college zich op het standpunt moet kunnen stellen dat de boodschappendienst als passende oplossing kan worden aangemerkt. Zo kan uit het onderzoek blijken dat de cliënt geen gebruik kan maken van de boodschappendienst omdat hij de boodschappen van de bezorgservice niet kan aanpakken en/of opruimen. Het kan zijn dat de cliënt is aangewezen op een medisch noodzakelijk dieet waardoor kant-en-klaarmaaltijden niet als voorliggende oplossing kunnen gelden. Ook kan er sprake zijn van dusdanige beperkingen dat de cliënt de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt niet kan openen en/of in de magnetron kan worden gezet. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Opgemerkt wordt dat bij het oordeel of een maaltijdservice als passende oplossing kan worden aangemerkt het college ook de 3 hierboven genoemde punten moet beoordelen. Daarbij geldt dat de cliënt ook te maken kan hebben met algemeen gebruikelijke kosten: de kosten van het eten zelf. Die kosten worden feitelijk uitgespaard. Het thuis zorgen voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren (die niet voor zich zelf kunnen zorgen) Dit resultaat heeft betrekking op de verzorging van kinderen waarbij de ouder (tijdelijk) niet in staat is om de ouderrol op zich te nemen. Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Bij uitval van een van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg (hulp) voor de kinderen over (zie hoofdstuk 3 van deze beleidsregels). Gebruikelijke zorg (hulp) voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Structurele opvang valt niet in principe niet onder huishoudelijke hulp. Het is in het algemeen een eigen verantwoordelijkheid van de ouder(s) om daar voor te zorgen. Gebruikmaking van kinderopvang gaat in principe voor op het verlenen huishoudelijke hulp. Denk bijvoorbeeld aan gebruikmaking van kinderopvang en/of crèche wat in principe gangbaar is tot en met 5 dagen per week. Er is slechts voor een korte periode inzet van hulp op grond van de Wmo voor oppas en opvang van kinderen mogelijk. Te denken valt aan een periode van 3-6 maanden zodat de ouder(s) de gelegenheid krijgt een eigen oplossing te vinden. De organisatie van het huishouden De cliënt kan aangewezen zijn op huishoudelijke hulp aangevuld met andere lichte vormen van ondersteuning (HH2). Advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden Het kan hierbij gaan om instructie over: het omgaan met hulpmiddelen, uitvoeren licht huishoudelijk werk, het doen van de was, boodschappen doen of maaltijden bereiden (ook koken). Dagelijkse organisatie van het huishouden Het kan hierbij gaan om lichte administratieve werkzaamheden.

Rechtspraak bij dit artikel