In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van
de eerste maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
aanslagbiljet is vermeld.
In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, ingeval het
totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als
het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is
dan € 50,- maar minder dan € 3.500,- en zolang de verschuldigde
bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel
gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het
aanslagbiljet nog maanden overblijven in het belastingjaar, met dien
verstande dat het aantal termijnen ten minste drie en ten hoogste
tien bedraagt. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de
maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet
is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand
later.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de
voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 7
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting 2017