1. Bij de invordering van de afvalstoffenheffing wordt geen kwijtschelding
verleend:
a. Voor de achtste en volgende keren dat het in hoofdstuk 1, onderdeel 2a,
van de tarieventabel van de Verordening afvalstoffenheffing bedoelde
belastbare feit zich in het belastingjaar voordoet;
b. Voor de twaalfde en volgende keren dat het in hoofdstuk 1, onderdeel 2b,
van de tarieventabel van de verordening afvalstoffenheffing bedoelde
belastbare feit zich in het belastingjaar voordoet;
c. Voor de negenveertigste en volgende keren dat het in hoofdstuk 1,
onderdeel 3a van de tarieventabel van de Verordening afvalstoffenheffing
bedoelde belastbare feit zich in het belastingjaar voordoet;
d. Voor de drieëntwintigste en volgende keren dat het in hoofdstuk 1,
onderdeel 3b van de tarieventabel van de Verordening afvalstoffenheffing
bedoelde belastbare feit zich in het belastingjaar voordoet;
e. Voor het in artikel 4, lid 2 van de Verordening afvalstoffenheffing
vermelde belastingbedrag.
2. Indien de duur van de belastingplicht niet gelijk is aan het
belastingjaar, dan bestaat er aanspraak op kwijtschelding voor zoveel
twaalfde gedeelten van de voor dat jaar geldende kwijtschelding als er in
dat jaar maanden zijn waarin de belastingplicht geldt. Voor de berekening
van de kwijtschelding wordt een gedeelte van een kalendermaand aangemerkt
als een volle maand en wordt het aantal aanbiedingen waarvoor de
kwijtschelding geldt, gesteld op een geheel aantal afgerond naar boven.
Artikel 2
Beperkte kwijtschelding
Onderdeel van Verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2017