Bijstand en ondersteuning worden verleend tenzij:
het raadslid of de in de raad vertegenwoordigde groepering niet aannemelijk heeft gemaakt, dat de bijstand of ondersteuning betrekking heeft op de werkzaamheden van de raad;
de taakuitoefening van de betreffende functionarissen hierdoor aanmerkelijk zou worden belemmerd en de bijstand niet tot geringere, meer aanvaardbare proporties kan worden teruggebracht.