**·.** 1. Het is verboden, zonder voorafgaande vergunning van het college, de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
**·.** Een vergunning als, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd:
indien het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg;
het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of
het gebruik langer duurt dan 72 uur
**·.** 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 2 m wordt gelaten op fietspaden en voetpaden en van 4 m op de rijbaan voor gemotoriseerd verkeer.
**·.** 3. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt.
**·.** 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
**·.** 5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening.
**·.** 6. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 5
Artikel 2:10