Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Maatstaf van heffing

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2017

1.. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de vestiging, waarop, waaraan, waarin of waarbij één of meerdere openbare aankondigingen worden aangetroffen. 2.. Indien de vestiging gelijk is aan de onroerende zaak, als bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ, bedraagt de heffingsmaatstaf een vast bedrag, vermeerderd met een bedrag dat afhankelijk is van de op voet van hoofdstuk IV van de Wet Waardering onroerende-zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde die geldt voor het belastingtijdvak. 3.. In afwijking van het tweede lid, bedraagt de heffingsmaatstaf, indien de vestiging deel uitmaakt van één onroerende zaak, als bedoeld in artikel 16 Wet WOZ, een vast bedrag vermeerderd met een bedrag dat afhankelijk is van het deel van de vastgestelde WOZ-waarde die geldt voor het belastingtijdvak en dat aan de vestiging is toegerekend. 4.. In afwijking van het tweede lid bedraagt de heffingsmaatstaf, voor een vestiging als bedoeld in artikel 1, onderdeel 4, sub b, een vast bedrag vermeerderd met een bedrag dat afhankelijk is van de op voet van hoofdstuk IV van de Wet Waardering onroerende-zaken voor de onroerende zaken vastgestelde waarde of de delen van de waarden die geldt voor het belastingtijdvak en die aan de vestiging kunnen worden toegerekend. 5.. indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. 6.. Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van delen van de vestiging die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel