Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4. › AFDELING 3.

Artikel 4:11

Verbod tot het vellen van een houtopstand

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Voorschoten 2010

1.. Het is verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen. 2.. Indien door het college een lijst met waardevolle bomen en houtopstanden is vastgesteld, geldt het verbod zoals opgenomen in lid 1 alleen voor bomen en houtopstanden die op voornoemde lijst zijn geplaatst. 3.. Het verbod geldt niet voor: een houtopstand met een stamomtrek van minder dan 30 centimeter op 1.30 boven de grond; coniferen; kweekgoed; houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in lid 6; dode houtopstand; hakhout; ongeneeslijk zieke bomen, indien dit wordt vastgesteld door een deskundige en indien een deskundige van de gemeente dit oordeel heeft onderschreven. 4.. De vergunning kan worden geweigerd op grond van de: indien het door de aanvrager gestelde maatschappelijk belang bij het vellen van de waardevolle boom of de houtopstand niet opweegt tegen het belang tot behoud van de monumentale boom of houtopstand op grond van de natuurwaarde, de landschappelijke, cultuurhistorische of beeldbepalende waarde van die boom of houtopstand; op grond van de gezondheidstoestand van de boom. 5.. Indien een vergunning wordt verleend kunnen daaraan opschortende voorwaarden worden verbonden in het belang van flora- en faunabehoud (bijvoorbeeld: broedseizoen) en ter voorkoming van velling terwijl het besluit onderdeel van een bestuursrechtelijke procedure is. 6.. Het bevoegd gezag kan als voorwaarde bij een vergunning een een herplantplicht opleggen. 7.. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan is, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. 8.. Wordt een verplichting als bedoeld in het vijfde lid opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn de herbeplanting plaats dient te vinden en op welke wijze niet geslaagde herbeplanting moet worden vervangen. 9.. Indien de houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in lid 1 van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. 10.. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het vijfde tot en met zevende lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. 11.. De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen. 12.. Noodkap is bij direct dreigend (omval-)gevaar toegestaan onder de voorwaarde dat de kwalificatie noodkap wordt gegeven door een gemeentelijk ambtenaar in het bezit van het Certificaat Boomveiligheidscontroleur. 13. Indien het college daarom verzoekt wordt bij de aanvraag door de aanvrager een boomeffectanalyse gevoegd en/of een boomwaardetaxatie overgelegd. De aanvraag wordt in die gevallen pas in behandeling genomen vanaf het moment dat deze documenten bij de aanvraag zijn gevoegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel