Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Maatstaf van heffing en belastingtarief

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2017

1.. Indien de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ en waarvoor op grond van hoofdstuk IV van die Wet voor die onroerende zaak een waarde is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende zaakbelastingen, zoals die voor het belastingobject geldt voor het tijdvak waarover de forensenbelasting wordt geheven. 2.. De belasting als bedoeld in het eerste lid bedraagt, indien de waarde in het economische verkeer a. niet meer is dan €50.000 € 98,70 b. meer is dan € 50.000, doch niet meer is dan € 100.000 € 233,00 c. meer is dan € 100.000, doch niet meer is dan € 150.000 € 291,00 d. meer is dan € 150.000, doch niet meer is dan € 200.000, € 349,00 e. meer is dan € 200.000, doch niet meer is dan € 300.000, € 408,00 f. meer is dan € 300.000, doch niet meer is dan € 400.000, € 466,00 g. meer is dan € 400.000 € 524,00 3.. In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar een vast bedrag per woning, indien: de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen waarvan de woning deel uitmaaktvoor het belastingjaar is vastgesteld onder toepassing van artikel 16, onderdeel e, van deWet WOZ; de woning geen deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ; geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is of wordt vastgesteld. 4.. Het vaste bedrag als bedoeld in het derde lid bedraagt € 98,70

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel