**1.** Aanvragers, als bedoeld in het tweede lid van artikel 2 van deze beleidsregel, kunnen in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerplaats indien de parkeerdruk op de bestaande parkeerplaatsen die zijn gelegen binnen de maximale zelfstandige loopafstand van de aanvrager, gemeten vanaf de woning van de aanvrager, tijdens één van de onderzoeksmomenten 100% bedraagt of indien de gemiddelde parkeerdruk tijdens de onderzoeksmomenten meer dan 80% bedraagt.
**2.** Als gehandicaptenparkeerplaats wordt aangewezen een bestaand parkeervak, een gedeelte van een parkeerstrook of een plaats op de rijbaan, gelegen zo dicht mogelijk bij de woning van de aanvrager en binnen de maximale zelfstandige loopafstand van de aanvrager.
**3.** Indien een gedeelte van een parkeerstrook of een plaats op de rijbaan wordt aangewezen als gehandicaptenparkeerplaats, dient daartoe vooraf te worden overlegd met een gemeentelijke verkeerskundige.