**1..** Het is verboden zonder vergunning van het college met een woonschip een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.
**2..** Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd indien:
voor de ligplaats al vergunning is verleend;
het woonschip langer, breder of hoger is dan is aangegeven in het aanwijzingsbesluit of wanneer de diepgang van het woonschip gelijk of groter is dan de diepte van het water ter plaatse;
het woonschip belemmeringen kan veroorzaken aan het verkeer te water of te land of voor het beheer van de oever;
het uiterlijk van het woonschip afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente;
het woonschip niet voldoet aan redelijke eisen van veiligheid en bewoonbaarheid;
het niet aannemelijk is dat de aanvrager binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag met het woonschip de plaats waarvoor de ligplaatsvergunning is aangevraagd, kan innemen;
de aanvraag niet in overeenstemming is met de door het college gestelde nadere regels als bedoeld in lid 3 sub a;
indien de ligplaats het landschap verstoort.
**3..** Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats op krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;
beperkingen stellen naar soort en aantal.
**4..** De vergunning wordt gesteld op naam van de eigenaar van het woonschip en vermeldt de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het woonschip.
**5..** Overdracht van de vergunning:
de vergunninghouder kan de vergunning overdragen aan een rechtverkrijgende. Op gezamenlijke aanvraag van de vergunninghouder en van de rechtverkrijgende schrijft het college de vergunning over op de naam van de rechtverkrijgende.
bij een rechtsovergang onder algemene titel kan de vergunning worden overgeschreven op naam van (één van ) de erfgena(a)m(en) van de vergunninghouder.
**6..** Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het college de vergunning intrekken indien:
de gegevens in de vergunning niet meer overeenkomen met de werkelijke situatie;
het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft niet voldoet aan de redelijke eisen van veiligheid en bewoonbaarheid;
de ligplaats waarop de vergunning betrekking heeft gedurende een periode van meer dan 12 aaneengesloten weken is verlaten, zonder voorafgaande toestemming van het college;
op de ligplaats voorzieningen aanwezig zijn die niet zijn vermeld op de vergunning;
het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente;
het woonschip meer dan 180 dagen per jaar onbewoond is geweest;
de ligplaats wordt opgeheven.
**7..** Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of de provinciale landschapsverordening.
Hoofdstuk 5. › Afdeling 6.
Artikel 5:25
Ligplaats voor woonschepen
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk