1.. Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels, wordt de schuldhulpverlening afgewezen of beëindigd indien:

  • - het schuldhulpverleningstraject succesvol is afgerond;
  • - de schuldenaar zijn beschikbare aflossingscapaciteit niet wil gebruiken voor de aflossing van schulden;
  • - op grond van – zo later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan betrokkene is toegekend, terwijl indien dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen;
  • - betrokkene zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit het schuldhulpverleningstraject, zeer ernstig misdraagt;
  • - de schuldenaar in staat is om zijn schulden zelf te regelen dan wel in staat is de schulden zelfstandig te beheren;
  • - de geboden hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de schuldenaar, niet (langer) passend is;
  • - de schuldhulpverlening door het college niet langer noodzakelijk wordt geacht; of
  • - verzoeker niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt, zoals bedoeld in artikel 6 en 7 van de wet.

2.. Niet in aanmerking voor een schuldhulpverleningstraject komen verzoekers:

  • - met schulden die ontstaan zijn door fraude, als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de wet;
  • - met ‘niet regelbare’ schulden, vorderingen die niet in een regeling van schulden kunnen worden ingebracht; of
  • - waarbij niet binnen zes maanden een schuldhulpverleningstraject opgezet kan worden.