1 De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag
waarop het ontslag ingaat.
2 Indien de betrokkene:
a in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in
artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
meer uren per week werkzaam is geweest of
b onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;
wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:
3 maanden
0,5 jaar
1 jaar
1,5 jaar
2 jaar
2,5 jaar
3,5 jaar
4,5 jaar
bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;
bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;
bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;
bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;
bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;
bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;
bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar;
bij een arbeidsverleden van ten minste 40
jaar.
3 Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
door samentelling van:
a perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld
in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en
b de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en
de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.
4 Perioden, waarin een betrokkene:
a recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;
b ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het
Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt
die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
onder a, die al dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
zijn berekend;
c een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van
dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
berekend;
d na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt
op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel
29, tweede lid, van die wet;
e een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt
met een uitkering bedoeld onder a of d;
worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een
gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking
genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande
aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.
5 Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor
de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan
het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een
persoon een tot zijn huishouden behorend kind:
a beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon
in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest
of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid
volledig, en
b vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer
uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen
als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking
genomen.
6 Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
verzorging niet meegeteld de periode waarin:
a de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake
van werkloosheid, of
b de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
vakantie.
7 Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben
aangewezen.
Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen is het college
bevoegd een van hen die naar het oordeel van het college als
verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te
wijzen.
8 Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:
a een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
b een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed.
9 De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van
de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 7
Artikel 10:7
Duur van het wachtgeld
Onderdeel van Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Tilburg