1 Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:
a recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met
21 van de Werkloosheidswet en
b werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8 en 8:12.
2 Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling
indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag
recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de
CAR.
3 Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een
WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het moment dat de
mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een uitkering
krachtens de Werkloosheidswet.
4 Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan
uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de
aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten
inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.
Hoofdstuk 10a › Paragraaf 2
Artikel 10a:2
Voorwaarden voor recht op uitkering/ samenloop met suppletie
Onderdeel van Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Tilburg