1 Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat
behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag
waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur
wordt vastgesteld:
a voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden onmiddellijk
voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26 weken als werknemer
als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is
geweest, ingevolge artikel 11:7;
b voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste drie
jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, ingevolge artikel
11:7, dan wel wanneer het bepaalde in artikel 11:8, eerste lid,
daartoe aanleiding geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en,
indien van toepassing artikel 11:8, vierde lid.
2 Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden
waarin de betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid
verhinderd was werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft
verricht als bedoeld in artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de
hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste
lid, sub a, bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur van
de perioden van de bedoelde verhindering.
3 De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in
aanmerking genomen, voor zover zij betrekking hebben op de
dienstbetrekking waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of
meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in
de plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in
aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering.
4 Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld
weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft
ontvangen.
5 De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde
lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
toepassing.
6 In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet
aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid,
is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag waarop de
inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft
plaatsgehad.
7 Geen recht op uitkering bestaat:
a indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
meer;
b indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op
suppletie als bedoeld in Hoofdstuk 11a van deze regeling;
c indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt;
d indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten;
e indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht moet
worden niet te leiden tot onvrijwillige werkloosheid;
f voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem eervol ontslag
zal worden verleend en die na die mededeling een hem aangeboden
betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en zijn
omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
aanvaarden.
8 De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, sub a, heeft recht op
uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
80%. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf
de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van de uitkering
wordt voor de toepassing van:
a artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang
waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage
wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid
tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt
genomen.
b artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
ontslag.
9 Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag
door de betrokkene.
Hoofdstuk 10a › Paragraaf 8
Artikel 11:6
Recht op uitkering
Onderdeel van Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Tilburg