Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt:
a ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens
een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van
de Wet arbeid en zorg, hoofdstuk 6 of de periode van
onbetaald volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11 en
9b:35;
b ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in
een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor
zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964
niet worden overschreden.
Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de
ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste
ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een
deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe
de melding moet plaatsvinden.
Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden
afgekocht in geval van beëindiging van het dienstverband.
Met inachtneming van het derde lid, wordt het
levenslooptegoed niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan
wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld
anders dan ten behoeve van de in artikel 61k
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding
ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse
aanbieders.
Hoofdstuk 10 WACHTGELD
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 7
Artikel 9e:13
Opname levenslooptegoed
Onderdeel van Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Tilburg