De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid kan door het college worden ingetrokken indien:
de vergunninghouder daar om heeft verzocht;
blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften die zijn verbonden aan de vergunning niet naleeft;
de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;
binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;
tussen het begin en het einde van de werkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen;
voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.
§ 4.
Artikel 15.
Intrekkenvan de omgevingsvergunning
Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Groningen 2017