Naar hoofdinhoud
1.. Mandaat kan worden verleend, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. 2.. In de volgende gevallen legt de (onder)gemandateerde de kwestie in ieder geval ter beoordeling aan het bestuursorgaan voor, onverminderd het bepaalde in artikel 10:3 tweede lid van de Awb: indien het voornemen bestaat tot aanvulling of afwijking van het tot dan gevoerde beleid of tot vaststelling van nieuw beleid; indien niet begrote financiële of andere belangrijke consequenties zijn te verwachten of anderszins een aanmerkelijk beslag op financiële middelen is te verwachten; indien er rekening mee moet worden gehouden dat het bestuursorgaan op zijn of haar verantwoordelijkheid voor de uitgeoefende bevoegdheid zal worden aangesproken; indien het een onderwerp betreft dat naar verwachting sterk in de publieke aandacht zal staan; indien de ambtelijke adviezen die ten grondslag liggen aan het besluit niet eensluidend zijn; indien er twijfel bestaat of de aard van de bevoegdheid zich in een bepaalde situatie tegen de mandaatuitoefening verzet. 3.. Stukken gericht aan de kroon, minister, staatssecretaris, commissaris van de koning en gedeputeerde staten, worden ondertekend door het bestuursorgaan, behoudens zaken met een routinematig karakter.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel