**1..** Het college verstrekt een maatwerkvoorziening voor ondersteuning bij beperkingen door niet of zeer beperkt kunnen lopen, in de vorm van een rolstoel inclusief noodzakelijke accessoires.
**2..** Het college onderzoekt of de cliënt zich door beperkingen bij het lopen dagelijks grotendeels en langdurig zittend moet verplaatsen. Wanneer dit het geval is, kan het college afzien van een onderzoek naar de mogelijkheden van de cliënt om in deze beperkingen te voorzien door eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met ondersteuning uit het eigen sociaal netwerk, met een algemene of algemeen gebruikelijke voorziening.
**3..** Het college verstrekt geen rolstoel voor incidenteel gebruik. Hiervoor is een algemene voorziening beschikbaar in de vorm van een leen- of huurrolstoel.
**4..** Voorbeelden van rolstoelen/rolstoelvoorzieningen zijn:
**a..** elektrische rolstoel;
**b..** handbewogen rolstoel;
**c..** duw-wandelwagen;
**d..** elektromotor voor onder de duw-wandelwagen;
**e..** handbike of tracker.
Hoofdstuk 7Begeleiding, opvang en beschermd wonen
Artikel 31. Grondslagen voor Begeleiding
Een grondslag is een aandoening, beperking of handicap waardoor de cliënt kan zijn aangewezen op zorg.
somatische aandoening/beperking (SOM);
psychogeriatrische aandoening/beperking (PG);
psychiatrische aandoening/beperking (PSY);
lichamelijke handicap (LG);
verstandelijke handicap (VG);
zintuiglijke handicap (ZG).
Artikel 32 lid 1 Toegang Begeleiding
De cliënt kan toegang verkrijgen tot de Begeleiding als sprake is van een grondslag op één of meer van de volgende vijf terreinen:
Sociale redzaamheid,
Bewegen en verplaatsen,
Probleemgedrag,
Psychisch functioneren of
Geheugen- en oriëntatiestoornissen.
Artikel 32 lid 2 Licht – midden – zwaar
Het onderscheid tussen enerzijds lichte beperkingen en anderzijds midden tot zware beperkingen wordt op elk van deze vijf terreinen onderzocht en afgewogen op de mate van ernst afgewogen: licht – midden- zwaar.
Artikel 32 lid 2 ad 1. Bij sociale redzaamheid gaat het om de volgende aspecten
Begrijpen wat anderen zeggen.
Een gesprek voeren / Zich begrijpelijk maken.
Initiëren en uitvoeren eenvoudige taken.
Kunnen lezen, schrijven en rekenen.
Communicatiehulpmiddel gebruiken.
Dagelijkse bezigheden.
Problemen oplossen en besluiten nemen.
Dagelijkse routine regelen.
Zelf geld beheren.
Initiëren en uitvoeren complexere taken.
Zelf administratie zaken bijhouden.
Artikel 32 lid 2 a Beperkingen (licht) houden in:
Cliënt heeft lichte problemen met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij/zij in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen: vanuit gezin, het sociale netwerk en/of school. Cliënt kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken.
Artikel 32 lid 2 b Beperkingen (midden) houden in:
Het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) zijn voor cliënt niet vanzelfsprekend en leveren af en toe zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf soms niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van begeleiding kan leiden tot verwaarlozing/opname.
Artikel 32 lid 2 c Beperkingen (zwaar) houden in:
Complexe taken moeten voor cliënt worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. Cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch, Voor de dagstructuur en het voeren van de regie is cliënt afhankelijk van de hulp van anderen.
Artikel 32 lid 2 ad 2. Bij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten:
Lichaamspositie handhaven.
Grove en fijne hand- en armbewegingen maken.
Lichtere en zwaardere voorwerpen tillen.
Gecoördineerde bewegingen maken met benen en voeten.
Lichaamspositie veranderen.
Trap op en af gaan zonder hulp(middelen) c.q. Zich verplaatsen met hulp(middelen).
Gebruik maken van openbaar vervoer.
Eigen vervoermiddel gebruiken.
Voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen).
Artikel 32 lid 2 d Beperkingen (licht) houden dan in:
Cliënt kan niet meer zelf fietsen of autorijden en kan zich buitenshuis niet meer zonder hulpmiddel (bv een rollator) voortbewegen. Met het gebruik van hulpmiddelen kan er nog veel, maar niet alles. Daarnaast kan cliënt geen zware voorwerpen tillen. Het optillen van lichte voorwerpen levert soms problemen op, maar met wat hulp en eenvoudige aanpassingen lukt dit nog wel. Cliënt kan de genoemde beperkingen in voldoende mate compenseren door hulp uit de omgeving en zo nodig door de inzet van hulp bij het huishouden en/of voorzieningen uit de Wmo.
Artikel 32 lid 2 e Beperkingen (midden) houden dan in:
Het zelfstandig opstaan uit een stoel en gaan zitten levert soms problemen op. Fijne handbewegingen worden minder vanzelfsprekend maar ook de grove hand- en armbewegingen beginnen problemen te geven. Cliënt kan zich, ook met behulp van een rollator of rolstoel, moeilijker zelfstandig verplaatsen. Openbaar vervoer is eigenlijk ontoegankelijk voor cliënt geworden, maar vanuit eigen middelen of de Wmo zijn hiervoor alternatieven mogelijk.
Artikel 32 lid 2 f Beperkingen (zwaar) houden dan in:
Bij het opstaan uit een stoel, het gaan zitten en het in- en uit bed komen moet cliënt volledig worden geholpen. Binnenshuis is cliënt voor zijn verplaatsingen zowel naar een andere verdieping of gelijkvloers volledig afhankelijk van hulpmiddelen. Voor het oppakken of vasthouden van lichte voorwerpen is hulp nodig. Ondanks het gebruik van hulpmiddelen kan cliënt de beperkingen onvoldoende compenseren in het dagelijks leven.
Artikel 32 lid 2 ad 3. Bij gedragsproblemen gaat het om de volgende aspecten:
Destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk).
Dwangmatig gedrag.
Lichamelijk agressief gedrag.
Manipulatief gedrag.
Verbaal agressief gedrag.
Zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag.
Grensoverschrijdend seksueel gedrag.
Artikel 32 lid 2 g Beperkingen (licht) houden dan in:
Cliënt vertoont lichte gedragsproblemen die bijsturing vereisen maar geen directe of acute belemmering vormen voor de zelfredzaamheid. Het vertoonde gedrag kan relatief eenvoudig worden bijgestuurd door de omgeving van cliënt, het gezin en/of de school. Bijsturing is voldoende zonder dat de overname noodzakelijk is.
Artikel 32 lid 2 h Beperkingen (midden) houden dan in:
Cliënt vertoont gedrag dat bijsturing en soms (gedeeltelijke) overname van taken vereist. Het cliëntsysteem kan slechts gedeeltelijk in de bijsturing van cliënt voorzien. Het vertoonde gedrag vereist bijsturing door een deskundige professional. Als er geen deskundige bijsturing wordt geboden, verslechterd de situatie van cliënt.
Artikel 32 lid 2 i Beperkingen (zwaar) houden dan in:
Cliënt vertoont zwaar probleemgedrag en hierdoor ontstaan zelfredzaamheidproblemen. Er is deskundige professionele sturing nodig om het gedrag in goede banen te leiden. Omdat er risico’s zijn voor veiligheid van cliënt of zijn omgeving is er continu hulp of begeleiding nodig.
Artikel 32 lid 2 ad 4. Bij psychisch functioneren, gaat het om de volgende aspecten
Concentratie
Geheugen en denken
Perceptie van omgeving
Artikel 32 lid 2 j Beperkingen (licht) houden dan in:
Cliënt heeft lichte problemen met concentreren, geheugen en denken. De oorzaak kan in verschillende problemen liggen, zoals lichte sociaal-emotionele instabiliteit, stemmingsproblemen, dan wel prikkelgevoeligheid. De concentratie en/of capaciteit tot informatieverwerking laat af en toe te wensen over. Met hulpmiddelen en enige aansturing is de zelfredzaamheid van cliënt voldoende te ondersteunen. Er is geen noodzaak tot het overnemen van taken.
Artikel 32 lid 2 k Beperkingen (midden) houden dan in:
Cliënt heeft vaak zodanige problemen met de concentratie en informatieverwerking dat hiervoor hulp noodzakelijk is. Als er niet met regelmaat deskundige hulp wordt geboden, ervaart cliënt in het dagelijks leven problemen bij de zelfredzaamheid.
Artikel 32 lid 2 lBeperkingen (zwaar) houden dan in:
Cliënt heeft zware problemen met de concentratie, het geheugen en denken en ook de waarneming van de omgeving. Hierdoor is volledige overname van taken door een deskundige professional noodzakelijk.
Artikel 32 lid 2 ad 5. Bij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten
·Oriëntatie in persoon, in ruimte, in tijd en naar plaats.
Artikel 32 lid 2 m Beperkingen (licht) houden dan in:
Cliënt heeft lichte problemen met het besef van tijd en/of plaats. Het herkennen van personen en de omgeving levert geen problemen op. De problemen doen zich af en toe voor en cliënt kan zich met hulp vanuit zijn netwerk, zelfstandig redden. De beperkingen vormen geen bedreiging voor zijn zelfredzaamheid, want cliënt kan veel taken op basis van ‘gewoonte’ zelfstandig uitvoeren.
Artikel 32 lid 2 n Beperkingen (midden) houden dan in:
Clint heeft problemen met het herkennen van personen en zijn omgeving. De zelfredzaamheid van cliënt staat onder druk. Cliënt heeft vaak hulp nodig van anderen bij het uitvoeren van taken en het vasthouden van een normaal dagritme. Als er geen deskundige begeleiding wordt geboden, verslechterd de situatie van cliënt.
Artikel 32 lid 2 o Beperkingen (zwaar) houden dan in:
Client vertoont zware problemen in het herkennen van personen en van zijn omgeving. Hij is gedesoriënteerd en zijn zelfredzaam is aangetast. Ondersteuning bij dag structurering en bij het uitvoeren van taken is noodzakelijk, ook is het overnemen van taken aan de orde. Als er geen deskundige begeleiding geboden wordt, is opname het enige alternatief.
Artikel 33 Overzicht doelen en mogelijke resultaten
Overzicht van te adviseren activiteiten functie Begeleiding
Overzicht van handelingen die deel uit kunnen maken van de activiteit
1.Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie.
Deze activiteit richt zich voornamelijk op de beperkingen en stoornissen in de sociale redzaamheid, oriëntatiestoornissen, probleemgedrag en psychosociale functies.
En/of
2.Het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid.
Deze activiteit richt zich voornamelijk op de beperkingen in de sociale redzaamheid en het zich bewegen en verplaatsen.
Hulp bij het initiëren of compenseren van eenvoudige of complexe taken, besluiten nemen en de gevolgen daarvan wegen. Bijvoorbeeld bij:
·Eenvoudige handelingen als verzorging, aankleden, eten en drinken. Of meer complexe handelingen als regelen van sociale contacten en vrijetijdsbesteding, kleding kopen, verplaatsing in verkeer.
·Regelen van randvoorwaarden op gebied van wonen, onderwijs, werk, inkomen, iets kopen/betalen, het stimuleren tot en voorbereiden van een gesprek met instanties.
·Hulp bij plannen, stimuleren en voor bespreken van activiteiten; bijv. invullen en vormgeven van spanningsvolle momenten in de dag structuur (bijv. bed rituelen), vrije tijd en sociale contacten.
·Hulp bij initiëren of compenseren van op/bijstellen van dag/weekplanning in dagelijkse routine; toezicht en ondersteuning bij opstaan, wassen, aankleden, eten, drinken, op tijd zijn voor een afspraak.
·Inzicht geven in (mogelijke) gevolgen van besluiten; ondersteunen bij misgaan van zaken, tijd nemen om vooraf gaand en achteraf moeilijk te hanteren situaties te bespreken en organiseren.
·Hulp bij zich aan regels/afspraken houden, corrigeren van besluiten of gedrag. Gedragsbegeleiding en toezicht in situaties waar de cliënt, buiten gebruikelijke ondersteuning en toezicht, extra begeleiding en toezicht nodig heeft.
Hulp bij uitvoeren of overnemen van eenvoudige of bij oplossen van praktische problemen buiten de dagelijkse routine;
·Hulp bij het beheren van geld; afhankelijk van leeftijd ondersteuning bij beheer van zak- en kleedgeld en mogelijk andere uitgaven.
·Hulp bij communicatie in de persoonsgebonden omgeving, bij bijvoorbeeld ernstig autistisch gedrag of andere stoornis die communicatie ernstig bemoeilijkt.
3.Het bieden van toezicht
Toezicht op- en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis, thuis of elders (bijvoorbeeld tijdens werk);
·Toezicht gericht op het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, gevaar in verkeer of andere activiteiten door ontbreken van inzicht in gevaar of door ernstig impulsief gedrag.
4.Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie en/of het ondersteunen bij vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid
+ het bieden van toezicht
Oefenen gaat samen met activiteiten 1 en 2. De van toepassing zijnde tijd wordt bij deze activiteiten opgeteld.
Oefenen door de cliënt zelf:
·Oefenen met vaardigheden zoals gebruik hulpmiddelen voor communicatie, stimuleren van wenselijk gedrag, inslijpen van gedrag;
·Oefenen van mantelzorger/gebruikelijke verzorger hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis of beperking van de cliënt
·Hulp bij de administratie (alleen in de zin van oefenen)
·Hulp bij gebruik openbaar vervoer (alleen in de zin van oefenen)
Artikel 33 lid 1 Producten:
De maatwerkvoorziening Begeleiding/Ondersteuning omvat een aantal producten:
Persoonlijke verzorging
Individuele begeleiding licht
Individuele begeleiding midden
Individuele begeleiding zwaar
Begeleiding groep licht
Begeleiding groep midden
Begeleiding groep zwaar
Vervoer dagbesteding
Vervoer dagbesteding rolstoel
Respijtzorg
Voor de activiteiten die kunnen vallen onder cliëntgebonden taken, zie onderstaande toelichting op de verschillende producten.
Artikel 33 lid 2 Toelichting op producten:
Artikel 33 lid 2 ad 1.Persoonlijke verzorging
Ondersteuning bij de persoonlijke verzorging kan als individuele ondersteuning worden ingezet in de verschillende categorieën. Indien er bij de Inwoner sprake is van behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop en de ondersteuning bij de persoonlijke zorg daaraan gerelateerd is dan wel te relateren is, dan valt deze ondersteuning onder de ZVW.
Artikel 33 lid 2 ad 2. Individuele begeleiding licht
Dit omvat de vier producten:
Begeleiding licht
Begeleiding zorg op afstand aanvullend
c.Begeleiding basis + module beschikbaarheid
d.Persoonlijke verzorging
Lichte ondersteuning betreft het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, c.q. het uitvoeren van regie en/of het ondersteunen bij praktische vaardigheden en handelingen. Er worden taken overgenomen die de cliënt zelf niet meer kan verrichten en die ook niet (meer) kunnen worden aangeleerd. Er is geen intensief toezicht nodig op het functioneren van de cliënt, om bijvoorbeeld het gedrag te kunnen bijsturen of bijvoorbeeld complicaties bij een ziekte te voorkomen. Het ziektebeeld van de cliënt is ook niet zo complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de cliënt.
Toelichting
Lichte ondersteuning is mogelijk voor verschillende ondersteuningsgebieden waaronder die van het huishouden betreffen, zoals ondersteuning bij zelfzorg, bij post en eenvoudige administratie en bij het onderhouden van sociale contacten. De volgende kenmerken zijn van toepassing:
Niet gericht op aanleren van vaardigheden, het gaat om behouden van, helpen of overnemen.
Sterke signaleringsfunctie en melding van bijzonderheden in de zorgbehoefte, belasting van de mantelzorger en knelpunten op gebied van zorgverlening
De cliënt functioneert al aantal jaren (minimaal 2) stabiel en de verwachting is dit voortzet
Geen sprake van moeilijk verstaanbaar gedrag of sterke beïnvloedbaarheid waardoor gedragsverandering kan ontstaan
De cliënt staat open voor aansturing, weinig weerstand. Of weerstand kan voldoende weerlegd worden door een combinatie van lichte en middelzware dan wel zware ondersteuning.
Geen specifieke deskundigheid ziektebeeld vereist, omgang met handicap of ziektebeeld stelt geen specifieke eisen. Of de specifieke eisen die de handicap of het ziektebeeld stellen kunnen voldoende worden ondervangen door een combinatie van lichte en middelzware dan wel zware ondersteuning.
De ondersteuning is planbaar. De cliënt kan wachten op afspraak, er is geen acute zorg nodig.
Gericht op overnemen regie huishouden: te denken aan: wanneer moet er wat gebeuren, licht aansturing in huishoudelijke taken, bestellen van boodschappen en organiseren van maaltijdvoorziening, verzorgen van materialen, aanbrengen van structuur in het huishouden en behouden van overzicht, planning in de week, aansturen in initiatief, bewaken van hygiëne.
Gericht op ondersteunen zelfzorg: te denken aan: aansturen in persoonlijke hygiëne; aangeven kleding in de was, wassen/douchen maar de cliënt voert het zelfstandig uit, aansturen in gezond voedingspatroon, week-menu opzetten.
Gericht op relatiemanagement: te denken aan: hulp bij maken van afspraken met bestaande sociale contacten, eenvoudige hulp bij onderhouden sociale contacten zoals een kaartje sturen, verjaardag plannen, hulp bij vragen naar bestaande ondersteuning zoals regelen vervoer.
Gericht op post/administratie/financiën: te denken aan: hulp bij post lezen, begrijpen en beantwoorden, opruimen, ordenen, sorteren.
Begeleider kan eventueel terug vallen op een eindverantwoordelijke.
Artikel 33 lid 2 ad 3 Individuele begeleiding midden
Dit omvat de vier producten:
Begeleiding Basis + module cliëntkenmerk NAH (Niet Aangeboren Hersenletsel)
module cliëntkenmerk psychisch
module cliëntkenmerk visueel
module cliëntkenmerk auditief
Het gaat om meer complexe ziektebeelden (er zijn zodanige stoornissen en beperkingen dat kennis van het ziektebeeld en deskundigheid in de omgang hiermee noodzakelijk is) en/of meer complexe activiteiten (er is bijvoorbeeld toezicht en sturing nodig op het psychisch of lichamelijk functioneren van de cliënt of de cliënt is leerbaar en er kan geoefend worden met het aanbrengen van structuur en/of uitvoeren van handelingen/vaardigheden).
Het te behalen doel kan zijn: (gedeeltelijk) herstel, behoud of vertraging in mogelijke achteruitgang van de zelfredzaamheid.
Specifieke deskundigheid is noodzakelijk in zowel ziektebeeld/handicap, signalering en omgang met gedrag.
Er kan sprake zijn van gedragsstoornissen en instabiele ziektebeelden, maar deze zijn volgens zorgplan verantwoord te begeleiden.
Er worden geen escalaties in gedrag en/of ziektebeeld verwacht, die een onverantwoord risico naar de cliënt en/of zijn omgeving vormen.
De afgelopen twee jaar is er geen sprake geweest van plotseling, acute opname of zwaar medisch ingrijpen, zwaar overlast in de buurt, aanraking met justitie en/of destructief gedrag.
Begeleider kan eventueel terug vallen op een eindverantwoordelijke.
Artikel 33 lid 2 ad 4 Individuele begeleiding zwaar
Dit omvat de twee producten:
a.Begeleiding basis + module clientkenmerk ZG vis BG speciaal 2
b.Begeleiding basis + clientkenmerk zg auf BG speciaal 2
Zware ondersteuning wordt ingezet in de meest complexe situaties. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van zware gedragsstoornissen, risicovolle instabiele ziektebeelden, multi probleemsituaties.
Van de ondersteuner wordt methodisch handelen verwacht, aangepast aan de complexiteit van de ondersteuningsvraag. Hij/zij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat conform het ondersteuningsplan. Het te behalen doel kan zijn: (gedeeltelijk) herstel, behoud of vertraging in mogelijke achteruitgang van de zelfredzaamheid.
Er is de laatste twee jaar sprake geweest van plotseling, acute opname of zwaar medisch ingrijpen, zwaar overlast in de buurt, aanraking met justitie en/of destructief/agressief risicovol gedrag.
Of ondanks dat bovenstaande de afgelopen twee jaar niet noodzakelijk is geweest is het risico hierop in zware mate, aantoonbaar aanwezig. Dat wil zeggen dat de signalen inzichtelijk zijn.
De hulpverlening is complex omdat er sprake is van meerdere probleemgebieden binnen 1
systeem welke een multidisciplinaire aanpak vergen met een regisseur en afstemming van zorg.
Artikel 33 lid 3 Combineren
In de praktijk blijkt dat veel ondersteuningsvragen zich het beste laten vertalen naar combinaties van lichte, midden en zware ondersteuning. Zo kan het voorkomen dat een cliënt in relaties grote gedragsproblemen laat zien waar midden of zware ondersteuning voor nodig is terwijl bij het huishouden, de administratie en de zelfzorg lichte ondersteuning toegepast kan worden. Of een cliënt die elke week ondersteuning nodig heeft, maar voldoende heeft aan elke week lichte ondersteuning en éénmaal per maand zware ondersteuning. Door te combineren ontstaat maatwerk in individuele gevallen.
Artikel 33 lid 4 Begeleiding Groep
Groepsgerichte begeleiding kent twee vormen:
Dagbesteding is een vorm van Begeleiding groep gericht op het structureren van de dag, op praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen. En (toewerken naar) een passende vorm van maatschappelijke participatie, waar mogelijk naar (betaalde) arbeid of een re-integratietraject. Deze ondersteuning is vooral bedoeld voor jongeren vanaf 18 jaar en volwassenen tot 67 jaar, waarbij sprake is van een (definitieve) arbeidsbeperking.
Dagopvang is een vorm van Begeleiding groep gericht op contacten en een betekenisvolle invulling van de dag, waar maatschappelijke participatie buiten de dagopvang niet mogelijk of gewenst is. En het bieden van activiteiten met als doel het aanbrengen van structuur, sociale participatie, zoveel mogelijk handhaven van de zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden, het voorkomen van sociaal isolement en het ontlasten van mantelzorgers.
De dagbestedingsvormen zijn gericht op activeren en kunnen een belangrijke schakel zijn richting (betaalde) arbeid. De mate van zwaarte wordt bij deze groepsondersteuningsvorm bepaald door de mogelijkheden van de cliënt om te leren dan wel door de mate van complexiteit van de aandoening en beperkingen en eventueel bijbehorende gedragsproblemen.
De dagopvang vormen zijn meer gericht op onderhoud van activiteiten en het bieden van een zinvolle daginvulling. De mate van zwaarte wordt in deze ondersteuningsvorm bepaald door de complexiteit van de aandoening en beperkingen en eventueel bijbehorende gedragsproblemen. De consulent bepaalt in overleg met de cliënt en betrokkenen welke vorm van groepsondersteuning het beste past.
Artikel 33 lid ad 1 Begeleiding groep licht
Dit omvat de vijf producten:
Begeleiding ouderen
Visueel Gehandicapten (VG)
Lichamelijk Gehandicapten (LG)
Zintuigelijk Gehandicapten auditief (ZG)
Zintuigelijk Gehandicapten visueel (ZG)
Toelichting
Dit betreft het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, c.q. het uitvoeren van regie en/of het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen. Er worden taken overgenomen die de cliënt zelf niet meer kan en die ook niet (meer) kunnen worden aangeleerd. Er is geen intensief toezicht nodig op het functioneren van de cliënt, bijvoorbeeld om gedrag te kunnen bijsturen of bijvoorbeeld complicaties bij een ziekte te voorkomen. Het ziektebeeld van de cliënt is ook niet zo complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de cliënt.
Artikel 33 lid 4 ad 2 Begeleiding groep midden
Dit omvat de vijf producten
Visueel Gehandicapten
Lichamelijk Gehandicapten
Zintuigelijk Gehandicapten auditief
Zintuigelijk Gehandicapten visueel
Dagactiviteiten Geestelijke Gezondheidszorg
Toelichting
Het gaat om meer complexe ziektebeelden (er zijn zodanige stoornissen en beperkingen dat kennis van het ziektebeeld en deskundigheid in de omgang hiermee noodzakelijk is) en/of meer complexe activiteiten (er is bijvoorbeeld toezicht en sturing nodig op het psychisch of lichamelijk functioneren van de cliënt of de cliënt is leerbaar en er kan geoefend worden met het aanbrengen van structuur en/of uitvoeren van handelingen/vaardigheden).
Artikel 33 lid 4 ad 3 Begeleiding groep zwaar
Dit omvat de drie producten
Dagactiviteit ouderen + module cliëntkenmerk som-ondersteunend
Dagactiviteit ouderen + module cliëntkenmerk PG
Dagactiviteit VG, LG, auditief ZG en visueel ZG
Toelichting
Begeleiding in de categorie “zwaar” wordt ingezet in de meest complexe situaties. Te denken valt hierbij aan de aanwezigheid van zware gedragsstoornissen, risicovolle instabiele ziektebeelden, multiprobleemsituaties.
Artikel 33 lid 4 a Combineren
Groepsondersteuningen zijn onderling niet te combineren. Wel kan op den duur de keuze veranderen van de ene vorm van groepsondersteuning naar de andere. Het combineren van individuele ondersteuning en groepsondersteuning is wel mogelijk.
Artikel 33 lid 4 ad 4 en ad 5 Vervoer naar dagbesteding (eventueel met rolstoel)
Als een cliënt in aanmerking komt voor Begeleiding Groep zal ook worden onderzocht of de cliënt in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Allereerst zal gekeken worden of er een geschikte dagbesteding in de buurt van de cliënt is om de reisafstand en reistijd te beperken. Wanneer een klant in staat is met het openbaar vervoer te reizen (eventueel na oefenen onder begeleiding) of met de fiets of een ander vervoermiddel zelfstandig (of onder begeleiding van mantelzorg of vrijwilliger, indien beschikbaar) de locatie kan bereiken dan is dat uiteraard voorliggend. Wanneer dit niet mogelijk is zal vervoer van en naar de locatie worden toegevoegd aan het maatwerk. De aanbieder is dan verantwoordelijk voor het vervoer.
N.B. Vervoer naar dagbesteding door eigen familie is als gebruikelijk te beschouwen en komt niet voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 34 Omvang van Begeleiding individueel
Overzicht te adviseren activiteiten
Frequentie
Gem. duur per keer
Klasse
1.Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie.
Deze activiteit richt zich vooral op de beperkingen en stoornissen in de sociale redzaamheid, oriëntatiestoornissen, probleemgedrag en psychosociale functies.
En/of
2.Het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid.
Deze activiteit richt zich vooral op de beperkingen in de sociale redzaamheid en het zich bewegen en verplaatsen.
1 x per week
2 x per week
3 x per week
4 x per week
5 x per week
6 x per week
1 x per dag
2 x per dag
3 x per dag
4 x per dag
60 -180 min
60 – 180 min
30 – 90 min
30 – 90 min
15 – 90 min
15 – 90 min
15 – 90 min
15 – 45 min
15 -45 min
15 – 20 min
Licht
Licht
Licht
Midden
Midden
Zwaar
Licht
Midden
Zwaar
Zwaar
3.Oefenen
1– 3 uur
4.Het bieden van Toezicht
4uur
5.Alle activiteiten
13 uur
Zwaar
Artikel 35 Indicatieve normen voor omvang begeleiding in een groep
Wanneer de begeleiding gericht is op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is begeleiding groep de aangewezen vorm van begeleiding. De dagactiviteiten zijn gericht op structureren van de dag, op praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen.
Hieronder wordt niet verstaan een reguliere dag structurering zoals die in de woon- / verblijfsituatie wordt geboden of een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes e.d.
De omvang wordt bepaald in overleg met de cliënt en/of het netwerk. Er wordt bepaald waar de cliënt of het netwerk behoefte aan heeft. Het aantal dagdelen begeleiding groep dat wordt geïndiceerd is afhankelijk van:
de nodige activiteiten in de zwaarte: licht-midden-zwaar
de mogelijkheden van de cliënt.
het doel dat begeleiding groep voor de cliënt heeft:
al dan niet aangepaste vormen van arbeid (ook vrijwilligerswerk)
het bieden van activiteiten met als doel een andersoortige vorm van dag structurering dan arbeid en
zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden zoveel mogelijk te handhaven en/of gedragsproblematiek te reguleren en
toezicht in een instelling
de mogelijkheden van de dagbestedingsgroep.
Begeleiding groep wordt vastgesteld in dagdelen. (één dagdeel staat gelijk aan maximaal 4 uren). De klassen zijn als volgt bepaald:
Licht: 1 t/ 3 dagdelen per week
Midden: 4 t/m 7 dagdelen per week
Zwaar: 8 t/m 9 dagdelen per week
Artikel 36 Vervoer
Zorgaanbieders die gecontracteerd zijn voor Begeleiding dragen zorg voor het vervoer van en naar de dienstverlening.
De randvoorwaarden hiervoor zijn geregeld in de contracten met de zorgaanbieders (artikel 6 van de bijlage I programma van eisen van de “Overeenkomst Leveren Maatwerkvoorziening Ondersteuning voor de gemeente Zwartewaterland”).
De bepalingen over “vervoer” hebben strikt betrekking op verplaatsing van een cliënt naar en van een externe locatie voor dagbesteding.
Er kan geen toezicht tijdens het vervoer worden geïndiceerd. In lid 6 van artikel 6 is hiertoe opgenomen: ” De opdrachtnemer draagt er zorg voor dat de uit de Overeenkomst voortvloeiende werkzaamheden worden uitgevoerd door chauffeurs die a. goed kunnen omgaan met de specifieke doelgroep die gebruik maakt van het Wmo vervoer”. Er wordt dus vanuit gegaan dat het niveau van het vervoer (inclusief het toezicht) naar de zorg is aangepast aan de cliënten die worden vervoerd.
Er zijn twee tarieven: een voor gewoon vervoer en een voor rolstoelvervoer (bijlage VI. Tarieven). Andere vormen van vervoer, anders dan opgenomen in de letter en/of geest van het afgesloten contract of in deze beleidsregels, zijn niet declarabel.
Voorrang wordt gegeven aan een passende voorziening dichtbij huis. Daarbij speelt ook dat OV-gebruik meer wordt gestimuleerd in plaats van 1 op 1vervoer.
Artikel 37 Kortdurend verblijf (respijtzorg)
Een mantelzorger kan door het bieden van ondersteuning overbelast raken. Respijtzorg kan hierbij uitkomst bieden. Bij kortdurend verblijf logeert de cliënt maximaal 3 etmalen per week in een instelling, bijvoorbeeld een gehandicapteninstelling, verpleeghuis of verzorgingshuis. Men komt hiervoor alleen in aanmerking als men permanent toezicht nodig heeft. Het doel van kortdurend verblijf is om degene die de cliënt gewoonlijk thuis verzorgt, te ontlasten (respijtzorg).
De omvang van kortdurend verblijf is 1, 2 of 3 etmalen per week; afhankelijk van wat nodig is in de specifieke situatie van de cliënt. Er geldt een maximum van 3 etmalen per week omdat bij meer dan 3 etmalen verblijf sprake is van opname waarvoor een indicatie op grond van Wlz nodig is. De omvang van kortdurend verblijf kan worden opgespaard over een periode van maximaal 3 maanden om ineens gebruikt te worden.
De cliënt en zijn omgeving zijn zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf.
Artikel 38 lid 1 Criteria voor opvang en beschermd wonen
Een cliënt kan in aanmerking komen voor opvang als:
hij feitelijk of residentieel dakloos is en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;
hij de situatie van dakloosheid en het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving - niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen.
opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
hij de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor zijn veiligheid van (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld, en hij niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;
deze de situatie - waarbij hij de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor de veiligheid van de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld - , niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen.
opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het afwenden van gevaar voor de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt), voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie zich te handhaven in de samenleving.
Een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen als:
hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en
hij de situatie van psychische of psychosociale problemen - met als gevolg het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving - niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of wegnemen.
beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en daarbij voorziet in de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Artikel 38 lid 2 Spoedeisende gevallen
In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang of beschermd wonen nodig is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld beslist het college na een melding als bedoeld in de verordening Wmo onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet en de en de aanvraag van de cliënt.
Artikel 38 lid 3 Geldigheidstermijn en omvang
Voor het vaststellen van de geldigheidstermijn van de indicatie voor Begeleiding geldt dat een indicatie voor maximaal 5 jaar afgegeven kan worden.
De geldigheidsduur van een indicatiebesluit wordt vastgesteld met inachtneming van:
de beperkingen van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen;
de woonomstandigheden en de samenstelling van het gezin van de cliënt en veranderingen die zich daarin kunnen voordoen;
het bereiken van een leeftijd van de cliënt die van invloed kan zijn op de noodzakelijke zorg.
Hoofdstuk 8 Eigen bijdrage
Artikel 39 Eigen bijdrage
Het college legt een eigen bijdrage op voor alle maatwerkvoorzieningen en pgb’s die verstrekt worden op grond van de Wmo 2015, met uitzondering van rolstoelen en voorzieningen voor minderjarigen voor zover het geen woningaanpassing betreft, tot de maximale bedragen zoals deze zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Wmo, en tot de kostprijs van de maatwerkvoorziening of de hoogte van het pgb, en zolang het college instandhoudingskosten betaalt voor de maatwerkvoorziening of indien deze onderdeel zijn van het pgb.
Het college voert het opleggen van een eigen bijdrage voor de taxipas niet uit tot een nader te bepalen tijdstip.
Het college legt de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt op aan de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) bepaalt de hoogte van de eigen bijdrage en int deze.
Indien door of namens belanghebbende wordt aangegeven dat dit periodebedrag (voor de duur van 3 jaren) op basis van het inkomen, voor de woningaanpassing van € 2.500,00 of hoger, niet voldaan kan worden, kan een verlenging van de periode worden aangeboden. De periode waar binnen de eigen bijdrage wordt betaald, kan tot maximaal 10 jaar worden verlengd. e verlenging wordt als maatwerk aangeboden in overleg met de Wmo-consulent. Belanghebbende is echter gehouden om zijn zienswijze met fysieke bewijsstukken te onderbouwen. Een en ander wordt echter als maatwerk uitgevoerd waarbij bovenstaande als richtlijn wordt gehanteerd.
Hoofdstuk 9 Intrekking en terugvordering
Artikel 40 Herziening of intrekking
Het college kan het besluit tot verstrekking van de maatwerkvoorziening of het Pgb intrekken of herzien wanneer degene die de maatwerkvoorziening of het Pgb ontvangt:
overlijdt;
geen ondersteuning in het kader van de Wmo 2015 in de vorm van een maatwerkvoorziening meer nodig heeft;
verhuist naar een andere gemeente;
de maatwerkvoorziening of het Pgb niet meer toereikend is;
het Pgb niet binnen zes maanden na uitbetaling heeft besteed aan het inkopen van de zaak of dienst waarvoor het Pgb is verstrekt;
onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het Pgb verbonden voorwaarden;
de maatwerkvoorziening of het Pgb niet of voor een ander doel gebruikt.
Artikel 41 Terugvordering
Indien het ingetrokken of herziene besluit betrekking heeft op een in bruikleen verstrekte voorziening, kan de voorziening worden teruggevorderd.
Indien het besluit tot intrekken of herzien is genomen op grond van artikel 34 onder e tot en met h, dan kan het college de geldswaarde van de verstrekte voorziening of het Pgb vorderen. De hoogte van de vordering is afhankelijk van de waarde van de verstrekking ten tijde van de genoemde gedragingen. Bijvoorbeeld: op het moment dat een bepaalde wijziging niet is doorgegeven waardoor de voorziening langer is verstrekt dan noodzakelijk, geldt de geldswaarde op het moment dat de voorziening niet meer nodig was.
Terugvordering en incidentele betalingen voor eenmalige verstrekkingen zijn een verantwoordelijkheid van de gemeente. De uitvoering in daarmee een gemeentelijk bedrijfsinterne aangelegenheid. De praktijk wijst uit dat in onze situatie het aantal en soort gevallen beheersbaar en uitvoerbaar zijn.
Hoofdstuk 10 Overige beleidsregels
Artikel 42 Jaarlijkse waardering mantelzorgers
Met de komst van de nieuwe Wmo is de gemeente verplicht om de mantelzorgers binnen de
gemeente jaarlijks te waarderen. Hieronder wordt ook verstaan mantelzorgers die niet in de gemeente Zwartewaterland wonen maar wel mantelzorg verlenen aan een inwoner van Zwartewaterland.
Artikel 43 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
De gemeente draagt aanbieders met wie een contract is afgesloten voor Wmo-dienstverlening op een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vast te stellen. Iedere aanbieder dient hiervoor een protocol in acht te nemen en een aandachtfunctionaris binnen de organisatie aan te wijzen.
Overige calamiteiten en vormen van geweld die bij het verlenen van maatschappelijke ondersteuning plaatsvindt, dient bij een bij een toezichthoudend ambtenaar gemeld te worden. De gemeente Zwartewaterland heeft een toezichthoudend ambtenaar aangewezen.
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 44 Inwerkingtreding
De “Wmo beleidsregels gemeente Zwartewaterland 2017” treedt in werking op 1 januari 2017. Deze beleidsregels zijn een nadere invulling van de verordening en treden in werking na besluitvorming door het college.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwartewaterland, op 20 december 2016.
de secretaris, de burgemeester,
J.Dijkstra ing. E.J. Bilder
Bijlage 1 Checklist voor uitvoering grote woningaanpassing
Aanmelding
Als n.a.v. de aanmelding blijkt dat er een vraag komt te liggen voor een (grote) woningaanpassing dan zal er normaal gesproken altijd een huisbezoek afgelegd dienen te worden. Voor de duidelijkheid: onderstaande informatie gaat niet over de kleine woningaanpassingen (tot € 2.500,--)
Het gesprek
Het gesprek wordt gevoerd bij de belanghebbende thuis om zo de gehele situatie in beeld te krijgen, tenzij de belanghebbende uitdrukkelijk aangeeft het gesprek elders te willen voeren.
Bij het eerste gesprek is het belangrijk dat een aantal zaken bij langs gelopen worden. De volgende onderwerpen komen aan bod.
Medische noodzaak onderzoeken
Eigen verantwoordelijkheid
Afweging verhuizen of aanpassen (primaat)
Woonlastenconsequentie
Eigenaar/huurder
De wil om te verhuizen, zo nee waarom niet.
Sociale omstandigheden (mantelzorg, werk)
Goedkoopst compenserende oplossing
Oplossingsrichtingen
Van het gesprek wordt een verslag gemaakt.
Aanvraag
Als het gesprek leidt tot een aanvraag voor een woonvoorziening met als resultaat wonen in een geschikt huis , vormt het gesprek(verslag) de basis voor de aanvraag.
Medisch noodzaak.
Allereerst dient vastgesteld te worden of er een medische noodzaak aanwezig is voor het aanpassen van de woning of om het primaat van verhuizen op te leggen.
Dit zal moeten blijken uit een medisch advies.
Een belangrijk aspect is de termijn waarbinnen de verhuizing kan worden gerealiseerd en of die termijn medisch aanvaardbaar is.
In dit stadium kan al wel aan aanvragers gevraagd worden mee te denken naar een oplossing van het probleem. De eigen verantwoordelijkheid speelt hier een rol. Betrokkenen kunnen een makelaar/woningbouwvereniging benaderen voor advies/informatie. Als men nog niet ingeschreven staat zou men dit alvast kunnen doen. Hier zijn geen consequenties aan verbonden.
Verhuizen of aanpassen
Voor zover belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning welke verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat, wordt eerst deze mogelijkheid beoordeeld.
Onder primaat van verhuizen wordt dus verstaan dat het verlenen van een voorziening voor verhuizing en inrichting, vaak verhuiskostenvergoeding, voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizen is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan.
Indien de aanpassingskosten naar verwachting het bedrag van € 10.000,= (exclusief voorzieningen in bruikleen) overschrijden, dan dient bekeken te worden of er voor betrokkene een geschikte, reeds aangepaste woning beschikbaar is of komt.
Het primaat van verhuizen kan niet altijd opgelegd kan worden. Te denken valt aan de medische termijn, sociale omstandigheden, werksituatie, mantelzorg en de wil om te verhuizen. Indien de belanghebbende gemotiveerd aangeeft dat het niet mogelijk is om te verhuizen, zal hier in de besluitvorming uitdrukkelijk aandacht aan besteed moeten worden.
Geschikte woning
Het blijft natuurlijk de verantwoordelijkheid van de aanvrager dat deze intensief zoekt naar een geschikte woning. Hiervoor kan de woningbouwvereniging en makelaar benaderd worden. Het kan echter ook zo zijn dat de gemeente een passende woning signaleert. Mocht dit het geval zijn dat dient deze concrete passende woning aangewezen te worden aan aanvrager. Belangrijk hierbij is dat de gemeenteraad uitgesproken heeft dat passende woningen in heel Zwartewaterland hierbij aangemerkt kunnen worden. Alleen in specifieke sociale omstandigheden kan hiervan afgeweken worden.
Sociale omstandigheden
Er zal een integrale afweging gemaakt moeten worden voor het komen van een oplossingsrichting. Hierin dient ook rekening gehouden te worden met sociale omstandigheden. Denk hierbij aan mantelzorg, werk, vervoer en overige voorzieningen.
Nog geen woning
Er kan zich ook een situatie voordoen dat belanghebbende nog geen woning heeft. Als er geen woning is, is het niet de taak van de gemeente om voor een woning te zorgen. Iedere Nederlandse burger dient zelf voor een woning te zorgen. Bij de keus van een woning moet uiteraard rekening gehouden worden met de eigen situatie. Dat betekent dat er met bestaande of bekende komende beperkingen rekening moet worden gehouden. Geef duidelijk aan in de voorlichting dat we samen kunnen beoordelen of een woning geschikt is.
2 sporen beleid
Zodra uit het medisch advies blijkt dat er een medische noodzaak aanwezig is voor verhuizing cq aanpassing van de woning zal beoordeeld moeten worden welke weg bewandeld zal worden. Hierin is de medische termijn leidend.
Optie 1: er is een medische termijn van 6 maanden of langer.
Wanneer er een medische termijn gegeven wordt door de medisch adviseur dan is het de bedoeling dat in deze termijn gezocht wordt naar een geschikte woning. Het primaat van verhuizen wordt dan opgelegd.
De klant zal een beschikking krijgen waarin hij de opdracht kijkt intensief te zoeken naar geschikte woonruimte. Ook wij kunnen een geschikte woning aanbieden (zie hierboven).
Optie 2: er is geen of een zeer korte medische termijn.
In deze situatie zal het twee sporen beleid gehanteerd worden. Een programma van eisen zal nodig zijn voor de woningaanpassing. Zodra deze duidelijk is zal aan de klant gevraagd worden om offertes op te vragen. Ondertussen kan nog wel uitgekeken worden naar een (grotendeels) geschikte woning. Immers een woningaanpassing is ook niet gereed in 1 a 2 maanden.
Optie 3: geen medische termijn en/of het primaat van verhuizen kan niet opgelegd worden
In dergelijke situaties bestaat alleen de mogelijkheid om de woning geschikt te maken. Nadat programma van eisen bekend is, kunnen offertes opgevraagd worden.
Woonlastenconsequentie
Bij de afweging voor aanpassing of verhuizing moet rekening gehouden worden met de woonlastenconsequenties van de verschillende opties. Daarbij moet een vergelijking worden gemaakt tussen de woonlasten bij het aanpassen van en blijven wonen in de huidige woning en het verhuizen naar een andere woning. Daarbij geldt dat de financiële gevolgen van een verhuizing binnen aanvaardbare grenzen moeten vallen.
Eigenaar/huurder
Het verhuizen vanuit een koopwoning kan meer consequenties hebben dan verhuizen vanuit een huurwoning, met name in financiële zin. Zo zal vaak sprake zijn van een hypotheek op de woning. Onderzoek naar woonlasten en verkoopbaarheid van de eigen woning zal gedaan moeten worden. Hierin is ook belangrijk dat onderzocht wordt of de woning voor een reële prijs te koop gezet wordt. Bij huurwoningen dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid van huurtoeslag.
Men wil niet verhuizen
Het college kan aan de hand van het medisch advies tot de conclusie komen dat verhuizen de meest compenserende oplossing is en om deze redenen besluiten het aanpassen van de huidige woning niet te vergoeden. Als alle factoren in de overweging zijn meegenomen en het college beslist dat verhuizen de goedkoopste compenserende voorziening is, dan is dat de voorziening die wordt verleend. Door het primaat bij verhuizen te leggen heeft het college juridisch gezien een handvat om de belanghebbende geen voorziening voor het aanpassen van de huidige woning te verstrekken als deze niet wenst te verhuizen.
Indien een belanghebbende niet wil verhuizen, kan het college niet worden verweten dat ze niet aan de compensatieplicht heeft voldaan. Het college heeft immers een compenserende voorziening aangeboden, die echter niet door de belanghebbende geaccepteerd is.
Weigeren geschikte woning
Indien aanvragers een (geschikte of geschikt te maken) woning toegewezen krijgen van de woningbouwvereniging en deze weigeren, dan dient onderzocht te worden wat hier de reden van is. Mocht er geen gegronde reden bestaan voor weigering dan kan er volstaan worden met een verhuiskostenvergoeding.
Goedkoopst compenserende oplossing
Wanneer bovenstaande uitgezocht is kom je tot een oplossingsrichting. De kostenvergelijking tussen het aanpassen van de te verlaten woning en het verhuizen naar een nieuwe woning speelt een rol bij het bepalen van de goedkoopst compenserende oplossing.
Bij het maken van een kostenvergelijking moeten wel alle kosten worden betrokken.
Oplossingsrichting
Verhuiskostenvergoeding of;
Woningaanpassing
Losse woonunit
a) Verhuiskostenvergoeding:
In de beleidsregels Wmo, artikel 21 lid 12, staat het maatwerk van de verhuiskostenvergoeding.
Het te verstrekken bedrag voor verhuiskostenvergoeding is afhankelijk van de omstandigheden genoemd in dit artikel.
b) Woningaanpassing:
Zie afwegingskader resultaat van de beleidsregels, procedurestappen vaststellen programma van eisen
college beoordeelt offerte
college geeft toestemming
eigenaar voert uit
college controleert
c).Gereedmelding:
Direct na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 12 maanden na het
verlenen van toestemming voor het aanpassen van de woning, verklaart diegene aan wie de
financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald (de woningeigenaar) aan het college dat de
bedoelde werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding). Deze gereedmelding is tevens
een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming. De
gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is
voldaan aan de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget of de financiële
tegemoetkoming is verleend.
Kosten van woningaanpassingen:
Wat valt er wel en wat valt er niet onder. Denk aan aanneemsom, leges, technisch onderzoek etc.
Opvragen offertes bouwkundige aanpassingen.
< € 2.500,= 1 offerte
€ 2.500,= tot € 10.000,= 2 offertes
Meer dan € 10.000,= 3 offertes
Eigen bijdrage en eigen aandeel
Denk erom dat de eigen bijdrage voor de onderhoudsplichtige ouders als het om kinderen gaat!
Terugbetaling bij verkoop (Anti-speculatiebeding artikel 25 lid 1 beleidsregels Wmo)
Een woningeigenaar moet melden wanneer hij zijn woning verkoopt. Het gaat dan om de verkoop van een aangepaste woning binnen 10 jaar nadat deze is aangepast.
Afschrijvingstermijn (artikel 25 lid2 beleidsregels Wmo)
Vergeet bij woningaanpassingen de afschrijvingstermijnen van een douche en keuken (18 jaar) niet
Controle offertes
Na fiat (budgethouder, toetser) overgaan tot betaling. Afspraak is dat woningaanpassing boven de € 20.000,-- aan het college worden voorgelegd.
Inlenen bouwkundige
Voor de beoordeling van de offertes kan gebruik gemaakt worden van een bouwkundige.
Voorlopige toekenning en definitieve toekenning (gereedmelding)
Binnen 12 maanden na voltooiing van de werkzaamheden, verklaart diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid. Er volgt dan een controle door middel van een huisbezoek plaats al dan niet samen met een bouwkundig adviseur.
c) Losse woonunit:
Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt, besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het college bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en heeft aandacht voor de RO-vergunning.
BIJLAGE 2 Overdracht Jeugdzorg 18- naar 18+
Algemeen
De Verordening jeugdhulpgemeente Zwartewaterland 2015 bevat de volgende artikelen:
Begripsbepalingen
Vormen van jeugdhulp
Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag
Vooronderzoek
Gesprek
Verslag
Aanvraag
Inhoud beschikking
Regels voor Pgb
Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en --Jeugdreclassering
Vertrouwenspersoon
Klachtregeling
Inspraak en medezeggenschap
Evaluatie
Hardheidsclausule
Nadere regels
Inwerkingtreding en citeertitel
Bovenstaande artikelen behoeven geen nadere toelichting in deze beleidsregels.
Nadere regels
In de verordening is opgenomen dat, voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, het college nadere regels kan stellen. Deze nadere regels zijn beschreven in deze bijlage.
Valt begeleiding/zorg voor een cliënt ouder dan 18 jaar alleen onder de Wmo 2015 of kan het ook onder de Jeugdwet vallen?
In principe kan een jongere die ouder is dan 18 jaar geen aanspraak maken op een voorziening voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet. In de meeste gevallen zal op dat moment namelijk een voorziening vanuit een andere wet (bijvoorbeeld Wmo, AWBZ of Zvw) kunnen worden ingezet. In enkele gevallen kan het echter zijn dat specifieke jeugdhulp vanuit de Jeugdwet doorloopt tot 23 jaar, omdat er geen andere wet is die de hulp na het 18e jaar biedt. Daarvan is sprake bij jeugdhulp die voor 1 januari 2015 onder de wet op de Jeugdzorg viel. Denk hierbij aan het verblijf van een jeugdige in een pleeggezin. Ook het verblijf in een begeleid kamertrainingstraject is jeugdhulp die voor 1 januari 2015 op grond van de Wet op de Jeugdzorg werd geboden en dus na het bereiken van het 18e jaar zou kunnen doorlopen op grond van de Jeugdwet. Dan zal er echter wel ook sprake moeten zijn van één van de volgende 3 situaties:
De jeugdige ontving voordat hij 18 jaar werd al jeugdhulp en voortzetting van deze hulp is noodzakelijk.
Voor de jeugdige is voordat hij 18 jaar werd bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is.
Na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd, wordt binnen een termijn van een half jaar vastgesteld dat hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is.
Als één van bovenstaande situaties zich voordoet, dan kan de jeugdige dus ook nadat hij 18 jaar is geworden aanspraak maken op jeugdhulp op grond van de Jeugdwet.
Overdracht Jeugd 18- naar 18+
Als een cliënt met een maatwerkvoorziening, 18 jaar wordt, vindt er in principe overdracht plaats naar de WMO.
Uitzonderingen op deze overdracht zijn cliënten van wie de hulp eindig is, dat wil zeggen dat de hulp niet langer dan ongeveer een half jaar doorloopt, of voor wie er inhoudelijke argumenten zijn om de hulp bij dezelfde zorgverlener te houden, ervan uitgaande dat deze zorgverlener gecontracteerd is voor jeugdhulp en niet voor de Wmo.
Vanuit het Centrum Jeugd en Gezin vindt er op de leeftijd van 18 jaar altijd een warme overdracht plaats:
Er wordt contact opgenomen met de Wmo-consulent en;
er worden afspraken in TOP gemaakt en via de mail vastgelegd.
Verwijzingen
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 31
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 33
- Artikel 33
- artikel 6
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 33
- Artikel 33
- Artikel 33
- artikel 21
- artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
- Artikel 32
- Artikel 32
- Artikel 32
- artikel 2
- Artikel 32
- Artikel 33
- Artikel 38
- Artikel 33
- Artikel 32
- artikel 25
- Artikel 33
- Artikel 38
- Artikel 33
- artikel 34
- Artikel 33
- Artikel 38
- Artikel 32
- Artikel 33
- Artikel 33
- artikel 25
- Artikel 33