Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 7.3

Criteria en weigeringsgronden

Onderdeel van Besluit nadere regels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2017

De ingezetene komt in aanmerking voor een tegemoetkoming wanneer er sprake is van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen vastgesteld door een medisch specialist. De ingezetene komt in aanmerking voor een tegemoetkoming als de beperking zoals bedoeld in lid 1 aannemelijke meerkosten met zich meebrengt, in de vorm van directe en indirecte extra kosten die niet of slechts gedeeltelijk op grond van een voorliggende voorziening of op andere wijze worden vergoed. Van een voorliggende voorziening is sprake als er een andere financiële tegemoetkoming mogelijk is op grond van een andere wettelijke bepaling waarop de ingezetene aanspraak kan maken voor het geheel of gedeeltelijk voldoen van zijn meerkosten. De ingezetene dient bij de aanvraag bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat er sprake is van meerkosten en dat hij in de betreffende inkomenscategorie valt zoals in dit hoofdstuk beschreven. Het eigen risico van de Zorgverzekeringswet valt niet onder de aannemelijke meerkosten. De meerkosten dienen in elk geval hoger te zijn dan het minimumbedrag, oftewel het toetsbedrag, dat het college vaststelt zoals beschreven in artikel 7.4. De ingezetene dient volgens de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven te zijn in de gemeente Venlo. Bij de beoordeling van de hoogte van het inkomen op grond waarvan de ingezetene in aanmerking komt voor de tegemoetkoming, wordt gekeken naar het gehele (verzamel)inkomen in het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Het (verzamel)inkomen van de aanvraag valt binnen het toetsingsinkomen, te weten van 120% tot 150% van het sociaal minimum (ook wel bekend als de bijstandsnorm) dat geldt voor de betreffende ingezetene. De ingezetene beschikt aantoonbaar over een bescheiden vermogen dat de grenzen zoals genoemd in artikel 34 Participatiewet niet te boven gaat. Indien reeds een inkomenstoets in het kader van een gemeentelijke regeling heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld op grond van het armoedebeleid, en daarbij is vastgesteld dat het inkomen niet hoger is dan het relevante toetsingsinkomen, kan het college besluiten dat het inkomen niet opnieuw wordt getoetst. De criteria zoals bedoeld in dit artikel worden voor zover nodig nader uitgewerkt in de beleidsregel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel